Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Van Luijk Supermarkten B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 mei 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:4645

werkneemster/Van Luijk Supermarkten B.V.

Op grond van rechtsvermoeden bedraagt arbeidsomvang caissière met nulurencontract dertien uur per week. Toewijzing loonvordering en wedertewerkstelling.

Werkneemster is vanaf 1 september 2008 op basis van een nulurencontract werkzaam voor Van Luijk als caissière. Zij verrichtte deze werkzaamheden naast haar studie, waardoor zij meestal ’s avonds en op zaterdag werkte. Er is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt. Op 10 januari 2015 heeft Van Luijk werkneemster medegedeeld dat zij nog maar voor drie uur per week zou worden ingeroosterd. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat, hoewel zij aanvankelijk op basis van een nulurencontract werkte, op grond van het arbeidsverleden bij Van Luijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan voor 13 uur per week. Dit blijkt uit de salarisgegevens van 2009 tot en met 2014. De laatste drie maanden van 2014 zijn niet representatief voor het gemiddeld aantal uren dat werkneemster werkte. Zij was in deze periode veel afwezig, omdat haar oma ernstig ziek was en uiteindelijk is overleden.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Van Luijk heeft aangevoerd dat sprake is van een oproep(nuluren)contract. Voor het geval zij daarmee bedoeld heeft te betwisten dat sprake is van een arbeidsrelatie, slaagt haar verweer niet. Tussen partijen is niet in geschil dat werkneemster in de loop van de jaren structureel tegen betaling van loon als caissière werkzaam is geweest voor Van Luijk. Daarom is voorshands aannemelijk dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat. Uit artikel 7:610b BW volgt dat de omvang van de arbeidsovereenkomst in enige maand vermoed wordt gelijk te zijn aan de gemiddelde omvang van de arbeid in de drie aan die maand voorafgaande maanden (de referteperiode). Nu het geschil over de omvang van de arbeidsovereenkomst is ontstaan in de maand januari 2015, dienen in beginsel de maanden oktober 2014 tot en met december 2014 als referteperiode te worden genomen. Volgens de berekening van Van Luijk heeft werkneemster in het laatste kwartaal van 2014 gemiddeld 6,88 uur per week gewerkt. De stelling van werkneemster dat deze periode in verband met de ziekte en overlijden van de oma van werkneemster niet representatief is, is door Van Luijk niet (gemotiveerd) weersproken. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:610b BW volgt dat in een dergelijk geval ook een langere, meer representatieve periode als uitgangspunt kan worden genomen. Werkneemster heeft haar stelling dat zij gemiddeld 13 uur per week werkte gebaseerd op het gehele jaar 2014, althans voor zover zij van dat jaar over loonstroken beschikt. De kantonrechter acht het voorshands aannemelijk dat de bedongen arbeidsomvang gemiddeld 13 uur per week bedraagt. De loonvordering op basis van 13 uur per week wordt vanaf 1 januari 2015 toegewezen. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%. De vordering tot wedertewerkstelling wordt toegewezen voor de tot op heden gebruikelijke dagen en uren.