Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 juni 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:4854

werknemer/werkgever

Geen sprake van stilzwijgende voortzetting. Werkgever heeft geen onderzoeksplicht naar werkelijke wil van werknemer bij instemming met verlenging van een maand. Overgangsrecht WWZ.

Werkneemster is als barmedewerkster met ingang van 1 juli 2011 in dienst getreden van werkgever, een coffeeshop. De arbeidsovereenkomst is op 28 december 2011 verlengd met zes maanden. Werkneemster heeft na ommekomst van de tweede contractuele termijn in de periode vanaf 29 juni 2012 tot 25 juli 2012 werkzaamheden bij werkgever verricht. Vervolgens is zij niet meer opgeroepen en wordt haar loon niet meer betaald. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat sprake is van stilzwijgende voortzetting (art. 7:668 BW) en vordert loon tot einde van de voortgezette arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelde evenwel dat de directeur was geslaagd in zijn bewijsopdracht dat partijen uitdrukkelijk een verlenging van één maand waren overeengekomen. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat het geschil betrekking heeft op een (verlenging en) beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de tweede helft van 2012, zodat ingevolge de Overgangsbepaling XXIId van de Wet werk en zekerheid de artikelen 7:667 BW en 7:668 BW van toepassing zijn zoals die vóór 1 januari 2015 luidden. Het hof is van oordeel dat de verklaring van de directeur over hetgeen werkneemster met hem heeft besproken en afgesproken op essentiële onderdelen wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van getuige 1 en getuige 2, zodat de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig is (art. 164 Rv). Voor zover werkneemster betoogt dat werkgever moest begrijpen dat werkneemster geen verlenging van een maand, maar van zes maanden wilde, althans dat werkgever alvorens het aanbod van werkneemster te aanvaarden had moeten onderzoeken of werkneemster daadwerkelijk een verlenging van een maand en niet van zes maanden wenste, heeft werkneemster geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit een dergelijke onderzoeksplicht zou blijken en, als werkneemster toen een verlenging van zes maanden wilde, waarom werkgever gehouden zou zijn een dergelijk aanbod te aanvaarden.