Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Frijns Metaalwerken B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 15 juli 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:5778

werknemer/Frijns Metaalwerken B.V.

Ontslag bankwerker zonder voorziening is kennelijk onredelijk. Aan werknemer wordt beperkte schadevergoeding toegekend, omdat werknemer niet is ingegaan op het aanbod bij een andere werkmaatschappij in de holding in dienst te treden.

Werknemer is van 24 augustus 1998 tot 1 november 2013 in dienst geweest van Frijns in de functie (constructie)bankwerker. Na verkregen toestemming van het UWV is de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. Werknemer stelt zich op het standpunt dat de opzegging kennelijk onredelijk is op grond van het gevolgencriterium. Ten onrechte heeft Frijns geen enkele financiële compensatie geboden, aldus werknemer.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Weliswaar moet geconcludeerd worden dat Frijns op de route naar bedrijfssluiting, ontslagvoornemen, opzegging en nazorg relevante steken heeft laten vallen en voor de hand liggende mogelijkheden onbenut heeft gelaten, maar tegenover dit tekortkomen als goed werkgever staat dat werknemer (ondanks genoten professionele bijstand) in opvallende mate nagelaten heeft de kans te benutten op zijn minst tijdelijk, maar met enige goede wil (aan beide kanten) voor langere duur aan het werk te blijven bij een andere werkmaatschappij van Groep en Holding Frijns. Hoewel het er de schijn van heeft dat Frijns met het aanbod om per 4 februari 2014 tot een nieuw contract te komen – onder dezelfde voorwaarden naar functie en beloning – met die andere werkmaatschappij, beoogde te ontgaan aan de werking van artikel 7:668a lid 2 BW (opvolgend werkgeverschap), had het op de weg van werknemer gelegen om daar door creatief onderhandelen een mouw aan te passen. Mogelijk had hij dan in ieder geval al werkend de geambieerde datum van 1 november 2015 voor aanspraak op ‘vroegpensioen’ gehaald. Hij ‘koos’ er echter voor niets te doen en te blijven afwachten, de hoop uitsluitend vestigend op een vorm van financiële afkoop waartoe Frijns enerzijds niet bereid was en anderzijds zich zelfs niet in staat achtte. Nu wordt dit laatste argument met verwijzing naar de concernverbondenheid verworpen, mede acht slaand op het beloop van de voorziening die de kantonrechter voor ogen heeft, maar het leidt er wel toe dat de kennelijke onredelijkheid van de opzegging zonder enige vorm van financiële compensatie in de gegeven setting slechts tot een beperkte aan Frijns op te leggen schadevergoeding ten behoeve van werknemer kan leiden. De portie eigen schuld (voor zijn risico komend nalaten) aan de zijde van de werknemer is immers zodanig aanzienlijk, dat hem slechts ‘als pleister op de wonde’ een betrekkelijk laag bedrag aan schadevergoeding toekomt. Dat wordt bij schatting bepaald op € 15.000 bruto en is samengesteld uit een aanvulling van de WW-uitkering voor een aantal maanden (een periode van ‘gewenning’ aan de veranderde situatie) plus vergoeding van het daarmee gemoeide pensioennadeel naast een (omvangrijker) tegemoetkoming in de kosten van opleiding, bijscholing en begeleiding (Frijns liet dit alles mettertijd, naar zij met de ontkenning van een rechtsplicht ter zake lijkt te erkennen, volledig versloffen en corrigeerde haar nalatigheid zelfs aan het eind van de arbeidsrelatie niet).