Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werkneemster is sinds 1999 werkzaam voor werkgever, vanaf 2007 als managing director laatstelijk tegen een brutosalaris van 9.916,67 euro per maand, inclusief 8 procent vakantiebijslag en te vermeerderen met emolumenten. In februari 2013 heeft werkgever haar een coach toegewezen. In augustus meldt werkneemster zich ziek. In februari 2014 is werkneemster als bestuurder door de AVA ontslagen. Volgens werkneemster zijn de notulen van de vergadering onjuist en wordt daarmee valsheid in geschrift gepleegd. In april 2014 verzoekt werkneemster ontbinding van de arbeidsovereenkomst met C=3 (390.321,40 euro). Werkgever doet een zelfstandig tegenverzoek tot ontbinding met een overeengekomen vergoeding van 83.357,38 euro. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden met een vergoeding van 100.000 euro. Werkneemster voert aan dat de kantonrechter buiten het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW is getreden (sub a) en de fundamentele rechtsbeginselen hoor en wederhoor en/of motivering heeft geschonden (sub c).
Het hof oordeelt als volgt. Het verzoek van werkneemster en het tegenverzoek van werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zijn in 2014 bij de kantonrechter ingediend, zodat op grond van artikel XXII lid 1 sub c Overgangswet Wwz de vóór 1 juli 2015 geldende bepaling 7:685 BW op het geschil van toepassing is. Ten aanzien van sub a heeft werkneemster gesteld dat het tegenverzoek verband hield met het opzegverbod tijdens ziekte. Het hof oordeelt dat de kantonrechter het verzoek van werkneemster tot ontbinding heeft toegewezen, zodat aan deze grief geen betekenis toekomt. Met betrekking tot sub c stelt werkneemster dat de kantonrechter bij de toekenning van de vergoeding van 100.000 euro het motiveringsbeginsel heeft geschonden. De beschikking geeft ten aanzien van de (berekening van de) vergoeding geen ‘sufficient clarity’, zoals artikel 6 EVRM eist. Bovendien zou werkgever heel laat een omvangrijk verweerschrift hebben gestuurd met daarin een verkeerde berekening. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 282 lid 1 Rv (in ieder geval) tot de aanvang van de behandeling van het verzoek een verweerschrift kan worden ingediend. Op grond van artikel 1.3.3. van het Procesreglement verzoekschriften rechtbank handel/voorzieningenrechter (hierna: het Procesreglement verzoekschriften) wordt in het belang van een goede voorbereiding van de zaak een verweerschrift bij voorkeur vijf werkdagen vóór de mondelinge behandeling ingediend. Die voorkeurstermijn geldt op grond van artikel 1.4.4. van het Procesreglement verzoekschriften eveneens voor indiening van bewijsstukken en andere stukken waarop een partij zich tijdens de mondelinge behandeling wil beroepen. Gelet op het bepaalde in artikel 282 Rv en de bewoordingen ‘bij voorkeur’ in het Procesreglement verzoekschriften staat het naar het oordeel van het hof de kantonrechter vrij ook stukken die binnen de voorkeurstermijn van vijf dagen voor de mondelinge behandeling worden ingediend, toe te laten. Zeker in dat geval zal de kantonrechter, mede in het licht van het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, hebben na te gaan of de wederpartij voorafgaande aan de mondelinge behandeling in redelijkheid in staat is geweest op dat verweerschrift en/of die stukken te reageren. Als dat niet het geval is, staat de kantonrechter bij aanvang van de mondelinge behandeling voor de keuze hetzij dat stuk buiten behandeling te laten of het stuk toe te laten, waarbij aan de wederpartij een nadere redelijke termijn wordt gegeven op dat stuk te reageren. Het verweerschrift sec bevat 14 pagina’s. In hoger beroep is onbestreden dat werkneemster met nagenoeg alle producties bij het verweerschrift bekend was doordat die producties hetzij door werkneemster al bij verzoekschrift waren ingediend, hetzij van haar afkomstig waren, hetzij waarmee zij tijdens de uitoefening van haar functie bekend is geraakt. Dit geldt niet voor productie 11, waarin op 1/3 van een A-4 een berekening van de vergoeding op basis van het bepaalde in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Op zichzelf is de berekening in één oogopslag duidelijk. Na de vermelding van de geboortedatum, de leeftijd, het brutomaandsalaris 10.491,67 euro inclusief vakantiegeld en bonus (van welk bedrag werkneemster blijkens sub 25 inleidend verzoekschrift ook uitgaat), wordt voor ieder jaar in de periode vanaf 2008 t/m 2013 de leeftijd vermeld, een maandsalaris per jaar in de eerste twee jaar (2008 en 2009) eenmaal vergoed en anderhalf maandsalaris per jaar in de volgende vier jaar (2010 t/m 2013) vergoed, waarna de zes bedragen worden opgeteld tot het totaalbedrag van € 83.357,38. Uit het (uitgebreide) proces-verbaal van de zitting en de bestreden beschikking van de kantonrechter blijkt dat de kantonrechter bij aanvang van de zitting op het bezwaar van werkneemster heeft beslist dat het verweerschrift met producties tot het geding wordt toegelaten en dat aan het einde van de zitting met partijen zal worden besproken of werkneemster in de gelegenheid dient te worden gesteld nog een aanvullende schriftelijke reactie te geven. Aan het slot van de zitting is – blijkens de betreden beschikking met instemming van partijen – besloten dat werkneemster op een termijn van circa 2,5 weken een akte kan nemen waarop werkgever binnen een termijn van circa 2,5 weken bij antwoordakte kan reageren. Aan deze afspraak hebben werkneemster en werkgever ook uitvoering gegeven. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden werkneemster voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het betrekkelijk kort voor de mondelinge behandeling ingediende verweerschrift tevens houdende (tegen)verzoek met producties, waaronder productie 11. Het hof weegt daarin mee dat werkneemster niet heeft toegelicht waarom de aan haar gegeven nadere termijn van circa 2,5 weken voor het nemen van een akte niet toereikend zou zijn geweest. Wat er verder ook zij van de klacht van werkneemster dat de kantonrechter de beslissing over de hoogte van de vergoeding gebrekkig heeft gemotiveerd, in ieder geval kan die klacht er niet toe leiden dat het appèlverbod wordt doorbroken. Een motiveringsgebrek in een gerechtelijke beslissing levert geen schending op van een fundamenteel rechtsbeginsel waardoor niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak (vgl. HR 22 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2209).