Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 13 augustus 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:5903
Stichting X/werknemer
Werknemer is sinds 1 oktober 1997 bij werkgeefster in dienst, laatstelijk in de functie van directeur. Beide partijen hebben de kantonrechter verzocht op de voet van artikel 96 Rv de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b jo. 7:669 lid 3 onderdeel g BW (verstoorde arbeidsrelatie). Werkgeefster heeft voorts te kennen gegeven dat werknemer thans arbeidsongeschikt is, maar dat binnen afzienbare tijd zijn herstel is te verwachten. Bovendien houdt het onderhavige ontbindingsverzoek geen verband met de ziekte of een ander opzegverbod. Werkgeefster heeft zich bereid verklaard om aan werknemer bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst een ontslagvergoeding te betalen van € 125.000 bruto, waarbij geldt dat in die vergoeding de transitievergoeding is begrepen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu partijen het erover eens zijn dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding op grond waarvan van werkgeefster niet kan worden verlangd de arbeidsverhouding voort te zetten en dat herplaatsing van werknemer in een andere passende functie niet tot de mogelijkheden behoort, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1 onderdeel a BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW. Voor wat betreft het verzoek tot toekenning van de tussen partijen afgesproken vergoeding van € 125.000 bruto overweegt de kantonrechter als volgt. In het kader van de ontbinding van een arbeidsovereenkomst biedt de wet de kantonrechter slechts de mogelijkheid om twee soorten vergoedingen toe te kennen, te weten de transitievergoeding en/of de billijke vergoeding. Toekenning van een billijke vergoeding aan een werknemer is – behoudens enkele hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen – alleen mogelijk en bedoeld voor een geval waarin sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, zoals onder andere in artikel 7:671b lid 8 onderdeel c BW is bepaald. Nu niet is gesteld of gebleken dat daarvan sprake is, kan de kantonrechter de tussen partijen afgesproken vergoeding niet op die grond aan werknemer toekennen. Uit de stellingen van beide partijen blijkt dat genoemde vergoeding van € 125.000 bruto de transitievergoeding te boven gaat, terwijl bovendien geldt dat de tussen partijen afgesproken vergoeding hoger is dan het in artikel 7:673 lid 2 BW genoemde bedrag van € 75.000 bruto, zodat ook het bepaalde in genoemd artikel geen grondslag biedt voor toekenning van de door partijen afgesproken vergoeding. Voor afwijzing van de vergoeding bestaat echter ook geen grond, nu uit de stellingen van partijen blijkt dat zij daarover overeenstemming hebben bereikt. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2016 en verstaat dat werkgeefster aan werknemer een vergoeding betaalt van € 125.000 bruto, in welk bedrag de aanspraken van werknemer op de transitievergoeding begrepen zijn.