Naar boven ↑

Rechtspraak

Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) c.s./Algemeen Christelijke Politiebond c.s.
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 3 september 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:10402

Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) c.s./Algemeen Christelijke Politiebond c.s.

Collectieve actie politie bestaande uit het stopzetten van politieassistentie aan deurwaarders is niet onrechtmatig en wordt niet verboden.

Begin 2015 heeft overleg plaatsgehad over de totstandkoming van een nieuwe cao voor de politie. De voorgaande cao is per 31 december 2014 geëxpireerd. Op 10 juli 2015 is een onderhandelaarsakkoord gesloten met betrekking tot een centraal loonakkoord. Op 27 juli 2015 hebben de politiebonden de minister van Justitie een ‘estafette actie geen inzet bij zogenaamde “prioriteit 3” meldingen’ aangezegd. Deze actie is op 3 augustus 2015 begonnen met één dag in de week en bouwt iedere week op in dagen. Op 18 augustus 2015 hebben de politiebonden aangezegd dat zij politiemedewerkers werkzaam bij de afdeling AVIM, hebben opgeroepen om per 27 augustus 2015 niet langer mee te werken aan de procedure die leidt tot uitzetting van illegale vreemdelingen. Ook is aangezegd dat de politiebonden de collega’s die werkzaam zijn bij de afdelingen Korpscheftaken (voorheen Bijzondere Wetten) hebben opgeroepen om met ingang van 20 augustus 2015 de behandeling van nieuwe aanvragen voor verloven voor de schietsport, jachtakten, beveiligingspassen, enzovoort uit te stellen. Op 27 augustus 2015 hebben de politiebonden een uitbreiding van de actie ‘Geen spoed, geen politie’ aangezegd. Deze uitbreiding van de actie bestaat uit het per 31 augustus 2015 stopzetten van politieassistentie aan deurwaarders. De Staat en de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: KBvG) stellen dat deze aangekondigde actie, die de uitvoering van de wettelijke taak van de gerechtsdeurwaarder in essentiële mate onmogelijk maakt, de grenzen van het recht op collectieve actie (ver) overschrijdt en onrechtmatig is jegens de Staat en de KBvG.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Partijen nemen tot uitgangspunt dat de actie valt onder het bereik van artikel 6 aanhef en lid 4 ESH. Daarmee is de vraag die moet worden beantwoord of – zoals de Staat en de KBvG vorderen – de uitoefening van het recht op collectief optreden van de politie dient te worden beperkt door de actie te verbieden. Het ligt op de weg van de werkgever (de Staat) of de derde die eist dat de uitoefening van het recht op collectieve actie in het concrete geval wordt beperkt (de KBvG), om aannemelijk te maken dat deze beperking aan het recht op collectieve actie maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is en dus naar de maatstaf van artikel G ESH gerechtvaardigd is. De politiebonden voeren onweersproken aan dat zij door de aard van de aan de politie toevertrouwde taken en de daarmee gediende zwaarwegende maatschappelijke belangen van openbare orde en veiligheid beperkt zijn in de keuze van de middelen om door middel van collectieve actie hun doel te bereiken. De politiebonden hebben dit tot uiting laten komen in de door hen gekozen inrichting van de actie, die geen betrekking heeft op bijstand aan gerechtsdeurwaarders in geval van calamiteiten. Het is niet de bedoeling van de politiebonden dat de veiligheid in het geding komt door de actie. Dat maakt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de actie als zodanig veiligheidsrisico’s zal opleveren voor de gerechtsdeurwaarders die – naar niet in geschil is – bij de uitvoering van hun werkzaamheden regelmatig worden geconfronteerd met agressie en geweld. De Staat en de KBvG hebben de door hen uitgesproken veronderstelling dat de actie zal leiden tot meer agressie en geweld niet gesubstantieerd. De inbreuk op fundamentele rechten en de aanzienlijke schade waar de actie toe kan leiden is op dit moment niet zodanig dat het noopt tot het oordeel dat de actie een zodanige inbreuk maakt op de in artikel G ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperking van de uitoefening van het stakingsrecht maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk is. Het voorgaande geldt ook als in aanmerking wordt genomen dat de actie vier dagen tevoren, alleen aan de Staat en voor onbepaalde tijd is aangezegd. De Staat en de KBvG wijzen er terecht op dat vanwege de onbepaalde duur van de aanzegging niet te voorspellen is wanneer de gerechtsdeurwaarders weer wel op politiebijstand kunnen rekenen en dat onduidelijk is hoe lang de schade doorloopt. Die onzekerheid is inherent aan de aanzegging van een actie van onbepaalde duur en legt bij deze stand van zaken onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het stakingsrecht van de politie. Dat geldt ook voor wat de Staat en de KBvG naar voren brengen over de ontwikkelingen die zich inmiddels in de onderhandelingen hebben voorgedaan; die nemen het recht van de politiebonden om hun eisen kracht bij te zetten door collectieve actie niet weg en wegen daar bij deze stand van zaken niet tegenop. Geoordeeld wordt dat de actie niet onrechtmatig is en dat er geen grond is deze te verbieden. Hierbij wordt aangetekend dat deze afweging mogelijk anders kan uitvallen naarmate de actie langer voortduurt.