Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 28 oktober 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:3378

werknemer/werkgever

Ontslag na twee jaar arbeidsongeschiktheid levert geen kennelijk onredelijke opzegging op. Verband met werk aannemelijk, maar onvoldoende.

Werknemer, geboren op 5 december 1966, heeft met succes de LTS-opleiding timmeren met diploma afgerond. Hij is in het bezit van rijbewijs B-E en het heftruckcertificaat. Werkgever is een familiebedrijf dat al meer dan 40 jaar producten levert voor de pleziervaart, bedrijfsvaart en industrie. Werknemer is 1984 in dienst getreden van werkgever. Werknemer is op 14 augustus 2009 uitgevallen voor zijn werkzaamheden met pijnklachten aan zijn rechterarm en pols. Begin 2011 kwamen bedrijfsarts en arbeidsdeskundige tot de conclusie dat werknemer niet in de eigen functie zou kunnen terugkeren en dat bij werkgever geen passende functies voor werknemer aanwezig waren. Eind februari 2011 is er een start gemaakt met de re-integratie bij een andere werkgever, een zogenoemd spoor 2-traject. Tijdens de arbeidsongeschiktheid, tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, heeft werkgever het salaris volledig doorbetaald. Tot mei 2011 heeft werknemer gebruik kunnen maken van de hem beschikbaar gestelde bedrijfsauto. Werknemer ontvangt per 12 augustus 2011 een WIA-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 100%. Deze uitkering geniet hij nog steeds. Werkgever heeft een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering voor werknemer afgesloten en pensioen tijdens arbeidsongeschiktheid laten opbouwen. Werknemer stelt zich op het standpunt dat de opzegging kennelijk onredelijk is.

Het hof oordeelt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft werknemer zijn stelling dat de polsbreuk in 1996 te wijten is aan een bedrijfsongeval – gelet op het verweer van werkgever, dat haar van een bedrijfsongeval niets bekend is – onvoldoende onderbouwd. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat werknemer een gemotiveerd en toegewijd medewerker was, die grote moeite had met het feit dat hij door arbeidsongeschiktheid gedwongen werd afscheid te nemen van werkgever. Dit zal voor werknemer de nodige spanningen hebben opgeroepen, maar hiervan kan werkgever geen verwijt worden gemaakt. Dat de stressklachten die werknemer heeft ontwikkeld tijdens zijn arbeidsongeschiktheid anderszins aan werkgever te wijten zijn, heeft werknemer naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt. Werknemer heeft ook zijn stelling dat werkgever niet aan haar re-integratieverplichtingen en verplichtingen jegens het UWV heeft voldaan, gelet op de gemotiveerde betwisting van werkgever, onvoldoende onderbouwd. Aan werknemer kan worden toegegeven dat enig causaal verband tussen zijn arbeidsongeschiktheid en de gedurende 27 jaar door hem voor werkgever verrichte werkzaamheden wel aannemelijk is en ook dat zijn arbeidsmarktpositie niet rooskleurig is, maar daar staat tegenover dat werkgever gedurende zijn arbeidsongeschiktheid het loon volledig heeft doorbetaald en hem het gebruik van de bedrijfsauto heeft gelaten tot mei 2011, hoewel zij daartoe niet gehouden was. Bovendien staat vast dat werknemer uit hoofde van de WIA-verzekering bij MN Schadeverzekeringen recht heeft op een inkomensaanvulling die ook na het einde van zijn dienstverband, zo lang sprake is van arbeidsongeschiktheid, doorloopt en dat hij recht heeft op een premievrije voortzetting van zijn pensioenopbouw.