Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Hans Prijsoptiek B.V. h.o.d.n. Hans Anders
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:6643

werkneemster/Hans Prijsoptiek B.V. h.o.d.n. Hans Anders

Uitleg studiekostenbeding: beëindiging van het dienstverband op verzoek van de werknemer impliceert niet dat het niet aanvaarden van een opvolgende arbeidsovereenkomst waardoor de laatste van rechtswege eindigt een beëindiging op initiatief van werknemer is.

Werkneemster is met ingang van 9 augustus 2010 voor bepaalde tijd in dienst getreden van Hans Anders als verkoopmedewerker. De arbeidsovereenkomst is tweemaal voor bepaalde tijd verlengd en is door het verstrijken van de termijn waarvoor de derde overeenkomst was aangegaan, geëindigd op 8 augustus 2013. Op 27 augustus 2010 hebben partijen een studieovereenkomst gesloten in het kader van een door werkneemster te volgen opleiding tot ‘Opticien (Manager)’. De centrale vraag is of het niet ingaan op een aanbod van werkgever tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is gelijk te stellen aan ‘Het dienstverband wordt beëindigd op verzoek van de werknemer’. Volgens Hans Anders is sprake van een beëindiging van het dienstverband op verzoek van werkneemster, terwijl werkneemster zich op het standpunt stelt dat aan het dienstverband een einde is gekomen door een beëindiging van rechtswege en zij in dat geval niet gehouden is de studiekosten terug te betalen.

Het hof oordeelt als volgt. Op zichzelf is het een werkgever toegestaan met een werknemer afspraken te maken over een eventuele terugbetaling van studiekosten, die aanvankelijk door de werkgever zijn voldaan. Deze bevoegdheid is echter niet onbeperkt. In het arrest dat ziet op een beding tot terugbetaling van loon in geval van beëindiging van de dienstbetrekking dadelijk na de voltooiing van de studie heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de terugbetaling wordt begrensd door wettelijke bepalingen, door de eisen van goed werkgeverschap en de norm van artikel 6:248 BW (HR 10 juni 1983, NJ 1983/796 (Muller/Van Opzeeland)). Hans Anders wil ingang doen vinden dat ook de situatie dat werkneemster een aanbod tot verlenging van de overeenkomst voor bepaalde tijd afslaat, gelijk gesteld moet worden met een beëindiging op verzoek van de werknemer. Werkneemster betwist deze uitleg. werkneemster stelt zich, zo leidt het hof uit haar stellingen af, daarbij op het standpunt dat Hans Anders de in de studieovereenkomst opgenomen terugbetalingsregeling met haar consequenties niet duidelijk heeft gemaakt. In het bijzonder was het werkneemster niet duidelijk dat volgens Hans Anders van ‘beëindiging van het dienstverband op verzoek van de werknemer’ ook sprake is wanneer, zoals in dit geval, de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt door het verstrijken van de daarvoor bepaalde tijd, en de werknemer de arbeidsovereenkomst niet wil voortzetten door het aangaan van een opvolgende arbeidsovereenkomst. Omdat de opvatting van Hans Anders niet zonder meer volgt uit de tekst van de bepaling, maar berust op een uitleg die Hans Anders daaraan in de context van de studieovereenkomst geeft, terwijl die uitleg in het nadeel is van werkneemster, volgt het hof niet de door Hans Anders voorgestane uitleg van het studiekostenbeding en legt die uit in de werkneemster voorgestane zin, zodat het beding geen basis meer biedt voor toewijzing van de vordering van Hans Anders. Het hof overweegt daarbij nog dat Hans Anders ook tekort is geschoten in haar verplichting als goed werkgever om aan werkneemster bij het sluiten van de studieovereenkomst uiteen te zetten welke consequenties (volgens haar) waren verbonden aan de daarin opgenomen terugbetalingsregeling bij beëindiging van het dienstverband (voor bepaalde tijd).