Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 1 oktober 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:11274
Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP FNV)/de Staat der Nederlanden c.s.
Op 10 juli 2015 is tussen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister), de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales een onderhandelingsresultaat bereikt over loonruimte voor de publieke sector, hetwelk is vastgelegd in de ‘Loonruimte-overeenkomst Publieke Sector 2015 2016’ (hierna: de loonruimteovereenkomst). In de loonruimteovereenkomst zijn voor de kabinetssectoren (Rijk, Politie, Defensie en Rechterlijke Macht), de onderwijssectoren (PO, VO, MBO/BVE, HBO en WO) en de overige VSO-sectoren (gemeenten, provincies, waterschappen, UMC’s en onderzoeksinstellingen) zowel loon- als pensioenmaatregelen overeengekomen. ACOP FNV is van mening dat de minister, de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales het wettelijk verankerde recht van ACOP FNV op collectieve onderhandelingen over de in de loonruimteovereenkomst geregelde onderwerpen, zoals onder meer verankerd in artikel 6 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), hebben geschonden door hierover niet in het daarvoor wettelijk voorgeschreven gremium, te weten de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (hierna: ROP) en meer in het bijzonder de Pensioenkamer, open en reëel overleg te voeren en in plaats daarvan overeen te komen dat zij de in de loonruimteovereenkomst neergelegde afspraken in de Pensioenkamer één op één zullen bekrachtigen. Deze laatste afspraak is volgens ACOP FNV in strijd met de openbare orde en goede zeden. ACOP FNV stelt zich primair op het standpunt dat de loonruimteovereenkomst door nietigheid wordt getroffen. Subsidiair is naar de mening van ACOP FNV sprake van partiële nietigheid, namelijk voor zover het de afspraak betreft de in de loonruimteovereenkomst neergelegde afspraken in de Pensioenkamer één op één te bekrachtigen.
De voorzieningenrechter constateert met partijen dat de loonruimteovereenkomst uniek is, in die zin dat hierin gelijktijdig zowel loon- als pensioenafspraken zijn gemaakt. Dergelijke afspraken worden immers normaliter aan verschillende overlegtafels gemaakt, te weten pensioenafspraken bovensectoraal in de Pensioenkamer van de ROP en loonafspraken decentraal aan de sectorale cao-tafels. Met de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales stelt de voorzieningenrechter vast dat geen rechtsregel, meer in het bijzonder niet – zoals ACOP FNV betoogt – de ROP-regeling en/of de daarop gebaseerde ROP-overeenkomst, zich tegen een dergelijk overleg in informele setting verzet. Evenmin verzet een rechtsregel zich tegen het in een dergelijke informele (vertrouwelijke) overlegsetting tussen overheidswerkgevers en overheidswerknemers bereiken van overeenstemming over pensioen- en loongerelateerde onderwerpen en het vastleggen van deze afspraken in een schriftelijke overeenkomst, zij het dat deze afspraken, alvorens deze daadwerkelijk kunnen doorwerken in het pensioen en het loon, eerst dienen te worden geformaliseerd in de daartoe ingerichte formele overlegstructuur. Zoals de overheidswerkgevers met juistheid hebben opgemerkt, geldt in zijn algemeenheid en dus ook voor voormeld overleg in informele setting, dat overleg tussen overheidswerkgevers en overheidswerknemers open en reëel dient te zijn.
Beoordeeld dient te worden of aan het sluiten van de loonruimteovereenkomst open en reëel overleg tussen de overheidswerkgevers en overheidswerknemers vooraf is gegaan. Die vraag dient naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevestigend te worden beantwoord. In de eerste plaats kan – anders dan ACOP FNV betoogt – uit de preambule van de loonruimteovereenkomst niet worden afgeleid dat de partijen bij deze overeenkomst hebben erkend dat open en reëel overleg niet heeft plaatsgevonden. Daarnaast is van belang dat van de zijde van ACOP FNV niet is weersproken zij reeds eind mei 2015 door het kabinet is uitgenodigd om deel te nemen aan overleg over diens wens om te komen tot een koppeling tussen loon en pensioen. ACOP FNV heeft vervolgens tot en met 9 juli 2015 ook daadwerkelijk deelgenomen aan het overleg dat het kabinet ter zake met de overheidswerkgevers en centrales van overheidswerknemers heeft gevoerd. Niet in geschil is dat alle centrales van overheidswerkgevers en overheidswerknemers die verenigd zijn in de ROP bij het overleg aanwezig zijn geweest. Dat dit overleg niet open en reëel is geweest, is door ACOP FNV onvoldoende aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat ACOP FNV op 9 juli 2015 heeft besloten het overleg te verlaten omdat – zoals zij stelt – op dat moment niet langer sprake was van verkenningen maar van onderhandelingen en zij voor het voeren van onderhandelingen niet over een mandaat van haar achterban beschikte, doet aan het open en reële karakter van het overleg zoals dat tot dat moment reeds had plaatsgevonden, niet af. Immers net als in de formele overlegstructuur staat het een vakcentrale in een informele setting als waarin over de loonruimteovereenkomst overleg werd gevoerd, immers vrij om haar goedkeuring aan een voorgenomen besluit te onthouden dan wel zich geheel van stemming te onthouden. Het verlaten door ACOP FNV laat echter, gelet op de in voormelde formele setting geldende regels inzake de totstandkoming van meerderheidsstandpunten, die op het overleg in informele setting van overeenkomstige toepassing moeten worden geacht, onverlet dat op 10 juli 2015 met de overheidswerkgevers en de wel aanwezige vakcentrales tot overeenstemming kon worden gekomen. Gelet op het feit dat over de in de loonruimteovereenkomst neergelegde pensioenafspraken reeds open en reëel overleg had plaatsgevonden en een vereiste meerderheid van de vakcentrales zich met de inhoud van deze overeenkomst heeft verenigd, waardoor aldus het grondrecht van ACOP FNV op collectief onderhandelen in voldoende mate is gewaarborgd, behoefde dienaangaande in de Pensioenkamer niet opnieuw inhoudelijk overleg te worden gevoerd alvorens aldaar tot besluitvorming kon worden gekomen. Anders dan ACOP FNV betoogt, is de in de loonruimteovereenkomst opgenomen bepaling dat de pensioenmaatregelen in de Pensioenkamer één op één zullen worden bekrachtigd dan ook niet strijdig met de openbare orde en goede zeden en kan derhalve niet worden geconcludeerd dat de loonruimteovereenkomst nietig is in de zin van artikel 3:40 BW. Het voorgaande brengt met zich dat de besluitvorming in de Pensioenkamer op 3 september 2015 en de (wellicht reeds) op die besluitvorming gebaseerde uitvoeringshandelingen evenmin onrechtmatig te achten zijn. Volgt afwijzing van de vorderingen.