Rechtspraak
Logidex/Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten
Logidex treedt op als bemiddelaar van leerlingen van het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) die op zoek zijn naar leerwerkplekken bij bedrijven in de logistieke sector. Logidex krijgt een lijst met ingeschreven leerlingen van de MBO-school die logistieke opleidingen verzorgt en op verzoek van de school zoekt zij leerwerkplekken voor de leerlingen. Logidex voert intakegesprekken met de leerlingen en zoekt een geschikte leerwerkplek. Vervolgens sluit Logidex een overeenkomst met het leerbedrijf. Bij iedere plaatsing van een leerling wordt door Logidex een document ‘Bevestiging Plaatsing’ opgesteld met daarin de specifieke gegevens van het betreffende geval. De leerling ontvangt een vergoeding van Logidex. De hoogte van deze vergoeding wordt bepaald door het aantal gewerkte uren en is op basis van het minimumloon. De overheid en de bedrijven dragen bij aan de kosten die Logitex moet maken. Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten, opgericht door werknemersorganisaties en de werkgeversorganisatie in de uitzendbranche ABU, ziet toe op de correcte naleving van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. Een door het bestuur ingestelde Commissie Naleving CAO voor de Uitzendkrachten (CNCU) kan een werkgever verzoeken bepaalde stukken uit zijn administratie te verstrekken waaruit voor de CNCU blijkt of de cao’s correct worden nageleefd. Logidex weigerde de gevraagde stukken toe te zenden en stelt zich op het standpunt niet als uitzendonderneming aangemerkt te kunnen worden. De Stichting besluit na diverse aanmaningen een boete ter hoogte van € 100.000 op te leggen aan Logidex. Logidex heeft daarop de Stichting gedagvaard en vordert een verklaring voor recht dat zij niet kan worden beschouwd als een uitzendonderneming en niet gebonden kan worden aan de bepalingen van de cao. De kantonrechter en het hof hebben de vordering afgewezen. Voor het antwoord op de vraag of Logidex aan de cao’s gebonden is, is met name bepalend of de overeenkomsten die Logidex met de leerlingen sluit, zijn aan te merken als arbeidsovereenkomsten. Zijn deze dat niet, dan kan, gelet op artikel 7:690 BW, immers geen sprake zijn van uitzendovereenkomsten in de zin van de cao’s.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband worden bezien (HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, NJ 1998/149 (Groen/Schoevers)). Stageovereenkomsten vertonen dikwijls kenmerken van een arbeidsovereenkomst. Soms kan een stagiair immers alleen de noodzakelijke ervaring opdoen door in het kader van zijn opleiding arbeid te verrichten die vergelijkbaar is met de arbeid van een gewone werknemer. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan dan ook in bepaalde situaties naast een stageovereenkomst tevens sprake zijn van een arbeidsovereenkomst (Kamerstukken II 1976/77, 14450, 1-2, p. 24; Kamerstukken II 1993/94, 23778, 3, p. 140). Deze toetsing heeft als maatstaf te gelden of de werkzaamheden van de stagiair naar de bedoeling van partijen zozeer zijn gericht op het uitbreiden van eigen kennis en ervaring van de stagiair, zulks mede met het oog op de voltooiing van zijn opleiding, dat van een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt voor de andere arbeid te verrichten niet kan worden gesproken (vgl. HR 29 oktober 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC0442, NJ 1983/230 (Hesseling/ Ombudsman)). Daaruit volgt dat het erop aankomt of het verrichten van de werkzaamheden van de stagiair in overwegende mate in het belang is van de opleiding die deze volgt.
Het hof heeft (in r.o. 11 t/m 16) een reeks omstandigheden opgesomd die het heeft gebracht tot het oordeel dat van een arbeidsovereenkomst sprake is. In de r.o. 18-22 heeft het vervolgens een aantal andere door Logidex aangevoerde omstandigheden vermeld, en geoordeeld dat die niet in de weg staan aan de eerder bereikte conclusie. Het hof geeft evenwel geen inzicht in zijn gedachtegang. In het bijzonder valt uit de overwegingen van het hof niet op te maken wat het hof tot het (in r.o. 21 neergelegde) oordeel heeft gebracht dat zich hier niet het geval voordoet dat het verrichten van de werkzaamheden van de stagiair in overwegende mate in het belang is van de opleiding die deze volgt. Het hof was in het bijzonder gehouden tot het geven van meer inzicht in zijn gedachtegang in verband met de volgende, door het hof niet verworpen – en in cassatie dus veronderstellenderwijs voor juist te houden – stellingen van Logidex:
– de leerlingen moeten in het kader van hun MBO-opleiding verplicht ervaring opdoen binnen bedrijven;
– daartoe geeft de onderwijsinstelling waar de leerlingen zich hebben ingeschreven, de lijst met ingeschreven leerlingen aan Logidex met het verzoek leerwerkplekken voor hen te regelen;
– het leerbedrijf stelt de leerlingen in staat om alles te doen, te leren en te ondergaan wat door hun onderwijsinstelling wordt voorgeschreven en biedt daartoe de nodige ondersteuning en faciliteiten;
– het leerbedrijf schakelt de leerlingen niet anders dan als leerling in en bevordert dat de leerlingen alle instructies van hun onderwijsinstelling zullen opvolgen;
– de plaatsingen van leerlingen duren voort tot het moment waarop de onderwijsinstelling oordeelt dat de leerling geen vaardigheden meer hoeft op te doen bij het leerbedrijf;
– de onderwijsinstelling bepaalt en controleert welke vaardigheden iedere leerling wanneer en op welke wijze moet verwerven en wanneer die vaardigheden op welke wijze moeten worden getoetst (proeve van bekwaamheid) en wanneer de leerling naar een andere afdeling of een ander bedrijf moet worden overgeplaatst, en de schooldocenten zijn daartoe feitelijk binnen het leerbedrijf aanwezig;
– voor Logidex bestaat geen verplichting een leerling bij het leerbedrijf te plaatsen en Logidex vindt niet op verzoek van de leerbedrijven leerlingen maar zoekt juist, uitgaande van de leerlingenlijsten die zij van de onderwijsinstelling ontvangt, leerbedrijven aan;
– Logidex ondersteunt beroepsopleidingen en leerlingen bij het vinden van stageplaatsen, het leerbedrijf is bereid een bijdrage te leveren aan het opleiden van leerlingen teneinde een kwantitatief en kwalitatief voldoende instroom op de arbeidsmarkt te bevorderen, onder meer door het bieden van aantrekkelijke stageplaatsen, en partijen onderkennen dat het in dit kader noodzakelijk is leerlingen een vergoeding te betalen gedurende hun plaatsing;
– de school kan de plaatsing van een leerling bij een leerbedrijf (met een opzegtermijn van één maand) beëindigen;
– bbl-leerlingen zijn gemiddeld slechts 55% van de betaalde dagen productief en kosten het leerbedrijf per saldo meer dan zij opleveren en er zijn (door Logidex nader opgegeven) redenen waarom de leerbedrijven niettemin tot het aangaan van de stageovereenkomsten en tot het betalen van het minimumloon en een opslag bereid zijn.
Volgt vernietiging van het arrest van het hof en verwijzing.