Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/WOZL
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 16 oktober 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:8707

werknemer/WOZL

Na twee keer een deskundigenoordeel te hebben gevraagd, kan in redelijkheid niet van werknemer worden gevergd om in deze procedure een nieuw deskundigenoordeel te overleggen. Deskundigenoordeel UWV omtrent passende arbeid weegt zwaarder dan verklaring revalidatiearts. Loonstop rechtsgeldig.

Werknemer is op 30 december 2009 bij de rechtsvoorgangster van WOZL in dienst getreden. Laatstelijk is hij werkzaam als medewerker assemblage verpakkingen. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Sociale Werkvoorziening van toepassing. Werknemer is geregeld uitgevallen wegens ziekte. WOZL heeft diverse malen de loonbetaling gestopt. Werknemer vordert betaling van achterstallig loon. Werknemer legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij vanwege een toename van klachten niet in staat is om de (aangepaste) werkzaamheden uit te voeren. Daartoe verwijst hij naar een verklaring van de revalidatiearts. In de ogen van werknemer is de betaling van het loon (over diverse periodes) onterecht door WOZL stopgezet.

De kantonrechter oordeelt als volgt. WOZL voert aan dat werknemer niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu geen deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 7:629a BW is overgelegd. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Werknemer heeft er namelijk terecht op gewezen dat hij reeds tweemaal een deskundigenoordeel bij het UWV had aangevraagd. Zowel in het deskundigenoordeel van het UWV van 9 december 2014 als dat van 28 april 2015 is geoordeeld dat de door WOZL aan werknemer aangeboden arbeid passend wordt geacht. Uit het deskundigenoordeel van 28 april 2015 blijkt dat in dat deskundigenoordeel rekening is gehouden met de door werknemer gestelde toegenomen klachten. De uitkomst van een nieuw deskundigenoordeel laat zich dan ook raden, nu de medische situatie van werknemer ten opzichte van 28 april 2015 niet wezenlijk is veranderd. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat in redelijkheid niet van werknemer kon worden gevergd om in deze procedure een nieuw deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 7:629a lid 2 BW te overleggen.

Het deskundigenoordeel van het UWV van 28 april 2015 weegt zwaarder dan de door werknemer overgelegde verklaring van de revalidatiearts. Het deskundigenoordeel is immers gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundige rapportage van een arts die gespecialiseerd is in het beoordelen van de vraag of de aangeboden arbeid al dan niet geschikt is. Dit in tegenstelling tot een revalidatiearts, die zich primair richt op revalidatie (hoe wordt iemand beter?). Voorts wordt vastgesteld dat uit de verklaring van de revalidatiearts niet volgt dat zittend werk moet worden vermeden, terwijl werknemer zelf bij herhaling heeft gesteld dat vooral een (langdurige) zithouding te belastend voor hem is. Gelet op de oordelen van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het UWV, is WOZL op grond van artikel 7:629 lid 3 BW gerechtigd om de betaling van het loon aan werknemer over de periode 3 februari 2015 tot en met 29 april 2015 en 9 juni 2015 tot en met 17 september 2015 stop te zetten. Werknemer heeft in deze periode ten onrechte geweigerd passende arbeid te verrichten. Volgt afwijzing van de vorderingen.