Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 22 oktober 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:12141
HTM Personenvervoer N.V./werknemer
Werknemer is sinds 2009 in dienst van HTM. Binnen HTM geldt een consignatiesysteem, als vervat in de Regeling Beheer HTM-gelden, waarbij elke trambestuurder voor zijn zogeheten consignatie verantwoordelijk is. Bij het in functie treden wordt aan de bestuurder die regeling en een bedrijfspas verstrekt met daarop een vast krediet dat gebruikt kan worden om vervoersbewijzen aan te schaffen, die aan klanten verkocht worden. In 2011 en 2012 is werknemer is zijn functioneringsgesprekken aangesproken op (kleine) tekorten op de consignatie. Op 28 mei 2013 is werknemer gewaarschuwd dat maatregelen zouden volgen wanneer hij zijn gedrag, dat niet meer constructief was, niet zou aanpassen. Op 14 juli 2013 heeft werknemer zich ziek gemeld. Vervolgens is hij niet bij een gesprek met de bedrijfsarts verschenen. Na een nieuwe volledige ziekmelding op 31 oktober 2013 is werknemer wederom niet bij de bedrijfsarts verschenen. Op 3 maart 2014 is werknemer erop aangesproken dat hij regelmatig in aanvaring kwam met collega’s en leidinggevenden. Op het voorstel van HTM om door middel van een coachingstraject onder andere zijn communicatievaardigheden te verbeteren is werknemer niet ingegaan. HTM heeft regelmatig klachten van reizigers over werknemer ontvangen. Per brief van 9 juli 2014 heeft HTM werknemer gewaarschuwd, onder vermelding van de door HTM geconstateerde gebeurtenissen, dat hem nog één kans werd geboden op verbetering van zijn houding en gedrag en het naleven van de voor hem geldende regels. Met ingang van 31 mei 2015 heeft werknemer zijn werkzaamheden volledig hervat. Eind juli 2015 is een tekort op de consignatie vastgesteld van € 881, terwijl ook het voorhanden hebben van een juiste voorraad vervoersbewijzen niet op orde was. HTM verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW, subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel d BW en meer subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft niet ontkend dat hij in 2011 en 2012 is aangesproken op de tekorten op de consignatie en dat hij heeft toegezegd zich op dat punt te willen verbeteren. Werknemer heeft voorts niet kunnen ontkennen dat bij de hercontrole van zijn consignatie op 28 juli 2015 nog steeds een aanzienlijk bedrag (€ 881,31) ontbrak, terwijl ook de kaartvoorraad niet aan de daaraan volgens de Regeling Beheer HTM-Gelden Tram te stellen eisen voldeed. Weliswaar heeft werknemer HTM verweten het bedrag dat (eerder) in de kleingeldteller vastzat (€ 8,55) en een bedrag dat op een interne rekening van HTM was bijgeschreven, maar op werknemers pas had moeten staan, niet te hebben gecorrigeerd, doch gelet op de daarmee gemoeide geringe bedragen, kunnen die stellingen het in de consignatie van werknemer nog steeds bestaande tekort niet verklaren. Door het tekort is HTM alle vertrouwen in werknemer en in het door hem correct uitoefenen van zijn functie verloren. Nadat werknemer, ondanks herhaalde waarschuwingen van HTM een aantal malen in 2013 het verzuimprotocol had geschonden en in verband daarmee zelfs een loonsanctie opgelegd had gekregen, heeft werknemer de regels in 2014 wederom herhaaldelijk niet nageleefd. Het coachingsaanbod heeft werknemer afgewezen, terwijl hij niet heeft aangegeven wat er aan de voorgestelde coaching ontbrak. In deze procedure heeft werknemer niet ontkend dat hij frequent op zijn houding en gedrag is aangesproken en dat hij geen wezenlijke verbetering daarin heeft aangebracht. Uit het voorgaande volgt dat er sprake is van een onherstelbaar gebrek aan vertrouwen en een verstoorde arbeidsrelatie tussen partijen en dat reeds daarom het dienstverband ten einde moet komen. Herplaatsing ligt niet in de rede, nog daargelaten dat er, zoals HTM onweersproken heeft gesteld, geen andere passende functies binnen HTM beschikbaar zijn of komen. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 december 2015.