Naar boven ↑

Rechtspraak

CNV Vakmensen c.s./Koole Tanktransport B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 29 oktober 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:9755

CNV Vakmensen c.s./Koole Tanktransport B.V.

Uitleg cao aan de hand van cao-norm, ook als partijen direct betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van nieuwe cao. Werknemers hebben recht op eindejaarsuitkering.

CNV en FNV sluiten sinds jaren met Koole collectieve arbeidsovereenkomsten. De cao 2011-2013 bevat in artikel 7 een salarisregeling. Daarin is opgenomen dat de werknemer in december 2011, 2012 en 2013 een eenmalige vergoeding van € 350 bruto ontvangt en jaarlijks een eindejaarsuitkering van 1% van het jaarsalaris. Op 26 november 2013 hebben CNV en FNV met Koole een onderhandelingsresultaat over een nieuwe cao 2014-2016 bereikt. Het gaat in deze zaak met name om de vraag of voor recht moet worden verklaard dat artikel 7 lid 11 van de cao 2011-2013 onverkort van toepassing is gebleven in de cao 2014-2016, en of Koole moet worden veroordeeld tot betaling aan haar werknemers van een eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 7 lid 11 van de cao.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De stelling van Koole dat de cao 2014-2016 niet geldig is, omdat deze niet is aangemeld als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de loonvorming, wordt verworpen. Op de zitting heeft Koole erkend dat tussen partijen al jarenlang collectieve arbeidsovereenkomsten worden aangegaan en dat partijen die collectieve arbeidsovereenkomsten hebben nageleefd en daarnaar hebben gehandeld, terwijl van geen van deze collectieve arbeidsovereenkomsten ooit mededeling is gedaan op de wijze voorgeschreven in artikel 4 van de Wet op de loonvorming. Onder die omstandigheden is het beroep van Koole op de ongeldigheid van de cao 2014-2016 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW. Daarbij neemt de kantonrechter, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, mede in aanmerking dat in de praktijk ten aanzien van een collectieve arbeidsovereenkomst als hier aan de orde artikel 4 van de Wet op de loonvorming ‘zo niet tot een dode, dan toch tot een zieltogende letter’ is geworden (Ktr. Utrecht 28 april 2014, ECLI:NL:2014:RBMNE:2172, JAR 2014/153). Bij de beoordeling van de vraag of artikel 7 lid 11 van de cao 2011-2013 ook deel uitmaakt van de cao 2014-2016, is bepalend hoe de cao 2014-2016 moet worden uitgelegd. Daarbij moet de zogenoemde ‘cao-norm’ worden gehanteerd (HR 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3857). Dat partijen in deze zaak direct betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de cao 2014-2016 maakt daarbij niet uit. Uit rechtspraak volgt dat niet kan worden aanvaard dat een in een collectieve arbeidsovereenkomst opgenomen bepaling op verschillende wijze zou moeten worden uitgelegd, al naar gelang wie bij een geschil daaromtrent als wederpartij van Koole zou optreden, een vakvereniging dan wel een individuele werknemer (zie HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5961, JAR 2000/151). Uitgaande van een uitleg aan de hand van de ‘cao-norm’, komt de kantonrechter tot het oordeel dat artikel 7 lid 11 van de cao 2011-2013 van toepassing is gebleven in de cao 2014-2016. Immers, volgens de duidelijke tekst van punt 2 van het onderhandelingsresultaat van 26 november 2013 dienen alle cao-afspraken waarover geen wijzigingen zijn opgenomen, gehandhaafd te blijven. In het onderhandelingsresultaat is geen wijziging van artikel 7 lid 11 van de cao 2011-2013 opgenomen. Dit artikel is dus gehandhaafd in de cao 2014-2016. Gelet op het voorgaande kan de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen. Koole stelt in dit verband terecht dat er geen reden is om voor recht te verklaren dat is overeengekomen dat alle cao-afspraken waarvoor geen wijzigingen zijn opgenomen, gehandhaafd blijven. Partijen verschillen immers alleen van mening over de vraag of artikel 7 lid 11 van de cao 2011-2013 is gehandhaafd. De vordering zal dan ook alleen ten aanzien daarvan worden toegewezen. Koole zal tevens worden veroordeeld tot nakoming van artikel 7 lid 11 van de cao. De gevorderde betaling van € 5.000 als schadevergoeding in de zin van de artikelen 15 en 16 van de Wet CAO wordt afgewezen. CNV en FNV hebben tegenover de betwisting daarvan door Koole onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door het niet nakomen van artikel 7 lid 11 van de cao daadwerkelijk schade hebben geleden.