Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 november 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:8379
werkneemster/werkgever
Werkgever en werkneemster hebben op 2 juni 2014 een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van zes maanden. Deze arbeidsovereenkomst is gewijzigd voortgezet in een overeenkomst van 1 augustus 2014 tot 1 augustus 2015. Bij brief van 29 juni 2015 heeft werkgever aan werkneemster medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. Werkgever heeft aangegeven dat werkneemster de werkzaamheden kan voortzetten, maar dan dient werkneemster een overeenkomst te sluiten met een payrollbedrijf. Op 3 augustus 2015 heeft werkneemster zich telefonisch ziek gemeld bij X (werkzaam bij werkgever). Vanaf die dag is er dagelijks contact geweest tussen X en werkneemster. Op 10 augustus 2015 heeft werkneemster aan X telefonisch medegedeeld dat zij haar werkzaamheden zou hervatten en heeft zij gevraagd of werkgever haar vakantiegeld zou kunnen uitbetalen. X heeft daarop bericht dat hij dat op 14 augustus 2014 zou doen. Na dit telefoongesprek heeft werkneemster X teruggebeld en gezegd dat ze het zat was dat ze de hele tijd om haar geld moest vragen. Op 10 augustus 2015 heeft X aan werkneemster een e-mail gestuurd waarin hij onder meer heeft geschreven dat de overeenkomst met werkgever per 31 juli 2015 is gestopt, dat de overeenkomst met Paying it niet is getekend en ‘voor mij is het vertrouwen zodanig beschadigd dat ik per direct wil stoppen, je hoeft dan ook niet meer terug te komen’. Werkneemster stelt dat er vanaf 1 augustus 2015 een arbeidsovereenkomst met werkgever is ontstaan. De opzegging van 10 augustus 2015 moet worden beschouwd als een ontslag op staande voet. Nu er echter geen sprake is van een dringende reden is er geen grond voor opzegging en dient die te worden vernietigd.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever heeft werkneemster op 29 juni 2015 schriftelijk medegedeeld dat het dienstverband dat op 31 juli 2015 zou eindigen niet zou worden verlengd met een dienstverband bij werkgever. Wel is aan haar de mogelijkheid geboden om via Paying it bij werkgever de werkzaamheden voort te zetten. Er is vervolgens een overeenkomst op briefpapier van Paying it naar werkneemster gestuurd, waarin Paying it als payrollonderneming is aangeduid, werkneemster als uitzendkracht is geduid en werkgever als inlener. Partijen hebben in de maand juli 2015 nog wel verder gesproken over de mogelijke verlenging van het dienstverband bij werkgever. Werkneemster heeft ter zitting desgevraagd echter erkend dat door X eind juli 2015, derhalve vlak voor het einde van de arbeidsovereenkomst die op 1 augustus 2014 is gesloten, aan werkneemster is medegedeeld dat voortzetting van de werkzaamheden enkel mogelijk was door middel van tussenkomst van Paying it en niet rechtstreeks via een arbeidsovereenkomst met werkgever. Gezien voormelde gang van zaken moet het werkneemster duidelijk zijn geweest dat werkgever het dienstverband na 31 juli 2015 niet wilde verlengen. De omstandigheden die zich vanaf 3 augustus 2015 hebben voorgedaan kunnen ook niet het vertrouwen rechtvaardigen dat werkgever alsnog de arbeidsovereenkomst wilde verlengen. Feitelijk is er niet meer gewerkt. Het feit dat werkneemster zich ziek heeft gemeld en tussen werkneemster en X dagelijks contact is geweest is daartoe onvoldoende. Dit geldt temeer nu X ter zitting daarvoor de aannemelijke verklaring heeft gegeven dat hij dagelijks moest beslissen of er een invalkracht moest komen. X heeft ter zitting in dit verband verder nog betoogd dat hij hoopte dat werkneemster de overeenkomst met Paying it zou ondertekenen, omdat beide partijen wel wilden dat werkneemster de werkzaamheden zou voortzetten. Dit is niet onbegrijpelijk, omdat ook werkneemster te kennen heeft gegeven te willen doorwerken bij werkgever. Slotsom is dat er na 1 augustus 2015 geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en werkgever. Volgt afwijzing van de vorderingen.