Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Heijmans Nederland B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 24 november 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:3152

werknemer/Heijmans Nederland B.V.

Asbest-schade: Moor/Zwitserland niet van toepassing op Van Hese/De Schelde. Bouwbranch niet vergelijkbaar met primaire asbest verwerkende bedrijven.

Werknemer is van 1969 tot 1972 werkzaam geweest als timmerman bij IBC. Volgens werknemer heeft hij aldaar onder meer met asbest gewerkt. Van 1972 tot 1999 heeft werknemer gewerkt bij Zelfbouwcentrum X. Ook hier is werknemer blootgesteld aan asbeststof. Zelfbouwcentrum is in 2007 opgehouden te bestaan. IBC is door Heijmans overgenomen. Werknemer stelt Heijmans aansprakelijk voor de schade die hij lijdt vanwege de diagnose mesothelioom. Inmiddels is werknemer overleden. De erven hebben zich, onder verwijzing naar het arrest Van Hese/De Schelde, op het standpunt gesteld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Heijmans zich op de verjaring van de vordering beroept. De erven stellen zich in de toelichting op hun grief op het standpunt dat de wijze waarop de kantonrechter het verjaringsverweer heeft verworpen, in strijd is met het bepaalde in artikel 6, paragraaf 1 van het EVRM. Naar de mening van de erven is de door de Hoge Raad in Van Hese/De Schelde verwoorde opvatting, omtrent de absolute verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW, inclusief de zeven gezichtspunten, in strijd met de uitspraak van het EHRM in de zaak Moor/Zwitserland, omdat uit deze uitspraak blijkt dat de manifestatieleer dient te worden aangehangen.

Het hof oordeelt als volgt. Naar het oordeel van het hof kan niet worden geoordeeld dat uit het arrest Moor/Zwitserland volgt dat toepassing van de gezichtspunten die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het arrest Van Hese/De Schelde leidt tot strijd met artikel 6, paragraaf 1 van het EVRM. In de zaak Moor/Zwitserland was weliswaar eveneens sprake van een asbestgerelateerde vordering tot schadevergoeding, maar één met een verjaringstermijn van tien jaar. Of in gevallen als het onderhavige toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld, waarbij - aldus de Hoge Raad - de rechter blijk moet hebben gegeven de volgende gezichtspunten in zijn beoordeling te hebben betrokken: (a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en - mede in verband daarmee - of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde; (b) in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat; (c) de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten; (d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn; (e) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren; (f) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt; (g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

Ten aanzien van gezichtspunt c oordeelt het hof als volgt. Het gaat er bij dit gezichtspunt om of de aansprakelijk gestelde een (meer of minder ernstig) verwijt valt te maken van de gang van zaken. Daarvoor is relevant dat de bouw niet gerekend kan worden tot de asbest producerende industrie en evenmin tot de primaire asbest verwerkende bedrijven (zoals scheepswerven of isolatiebedrijven). Daar komt bij dat de relatie tussen asbest en mesothelioom weliswaar was aangetoond door Stumphius in zijn proefschrift uit 1969, maar daarmee kan nog niet worden gezegd dat het in de jaren 1969-1971 (waar het in deze zaak om gaat) binnen de bouw van algemene bekendheid was dat ook een incidentele asbestblootstelling kon leiden tot mesothelioom. De wet- en regelgeving waarin het gebruik van asbest aanvankelijk werd beperkt en uiteindelijk in 1993 geheel werd verboden, zijn pas van later datum en zijn tot stand gekomen na veel nader onderzoek. Gesteld noch gebleken is dat die specifieke kennis destijds wel aanwezig was bij (de leiding van) IBC. Bij gebreke daarvan komt het hof tot het oordeel dat, uitgaande van een schending van de zorgplicht door IBC gelet op de destijds wel bekende risico’s van asbestose en longkanker, wel sprake is van verwijtbaarheid van IBC maar niet van een ernstige mate van verwijtbaarheid. De omstandigheid dat Zelfbouwcentrum X, de andere potentieel aansprakelijke werkgever van werknemer, geen verhaal meer biedt, is niet een omstandigheid die (bij de erven of bij Heijmans) gewicht in de schaal legt. Daar komt bij dat Heijmans zich nauwelijks nog kan verweren. Volgt verwerping van het beroep.