Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 2 december 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:9060
werknemer/Nesselande Logistics en Transport B.V. c.s.
Werknemer is op 16 oktober 2009 in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) Nesselande Logistics en Transport B.V. (hierna: Nesselande), onderdeel van een concern met meerdere bv’s (hierna: het concern). De kantonrechter heeft (een rechtsvoorganger van) Nesselande bij vonnis van 17 augustus 2015, samengevat, veroordeeld tot betaling aan werknemer van achterstallig loon over de maanden mei en juni 2015, vermeerderd met kosten, wettelijke verhoging, vakantiegeld en rente, alsmede tot betaling aan werknemer van diens loon vanaf 1 juli 2015 tot aan de dag van rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband. Op 16 november 2015 is aan werknemer zijn achterstallig loon betaald over de periode tot aan november 2015. Werknemer vordert in het onderhavige geding onder meer veroordeling tot betaling van de wettelijke verhoging over het niet tijdig betaalde loon, betaling van een bedrag ter hoogte van € 30.000 als voorschot op schadevergoeding, betaling van buitengerechtelijke incassokosten en betaling van loon vanaf november 2015 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband. Tevens vordert werknemer het concern te veroordelen in de integrale kosten van de onderhavige procedure.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het ligt in de rede dat werknemer in wezenlijke financiële problemen is geraakt, daar hij gedurende ongeveer een half jaar niet of nauwelijks loon uitbetaald heeft gekregen. Zonder loon kunnen de lopende rekeningen niet worden betaald en dan zullen incassokosten en mogelijk ook rente over deze niet onaanzienlijke periode verschuldigd (kunnen) worden en al snel oplopen. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven. Werknemer heeft ook al de gang naar de kantonrechter gemaakt om te trachten zijn loon te verkrijgen maar dit is vergeefs gebleken, omdat er geen verhaalsmogelijkheden aanwezig waren. Pas nadat werknemer ook nog de onderhavige kortgedingprocedure aanhangig had gemaakt heeft Nesselande, die ook al gedaagde partij was in het eerdere kort geding, juridisch advies ingewonnen bij een advocaat, hetgeen erin heeft geresulteerd dat Nesselande er alsnog toe is overgegaan om werknemer tegemoet te komen op voormelde wijze. Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat (de kantonrechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat) werknemer recht heeft op een wettelijke verhoging op het niet tijdig betaalde loon van 25%. Dit deel van de vordering wijst de voorzieningenrechter toe. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat werknemer schade heeft geleden, in de vorm van de vergeefs gemaakte kosten ter zake van de procedure bij de kantonrechter. Er bleken, zoals gezegd, geen mogelijkheden te zijn om dat vonnis te executeren. Ook is aannemelijk dat werknemer buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt in verband met pogingen om zijn loon buitengerechtelijk uitbetaald te krijgen. Dit zijn alleszins in redelijkheid gemaakte kosten ter voldoening buiten rechte. De voorzieningenrechter kent deswege een voorschot op schadevergoeding toe aan eiser van € 2.500. In dit oordeel ligt besloten dat niet wordt toegewezen het gevorderde voorschot op schadevergoeding van € 30.000. Het is onvoldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure aan werknemer een schadevergoeding van een dergelijke omvang zal worden toegewezen. De diverse deelvorderingen van werknemer komen overigens niet uit op een totaalbedrag van € 30.000. Wettelijke rente over het te laat betaalde loon wordt niet toegewezen, nu niet duidelijk is gemaakt wanneer het verzuim is ingetreden op dit onderdeel. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat Nesselande vanaf nu wel getrouw haar loonbetalingsverplichtingen jegens werknemer zal nakomen. De vordering tot betaling van loon vanaf 1 november 2015 zal daarom worden afgewezen. Wel wordt het concern in de proceskosten van werknemer veroordeeld, tot op heden begroot op € 1.786,19 en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.