Naar boven ↑

Rechtspraak

X/PostNL Pakketten Benelux B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 18 december 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:11232

X/PostNL Pakketten Benelux B.V.

Pakketbezorger PostNL is werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Feitelijke uitvoering is, gelet op beschermingsgedachte van het arbeidsrecht, doorslaggevend.

PostNL maakt voor de pakketverzorging gedeeltelijk gebruik van de diensten van zelfstandige pakketbezorgers (hierna: subcontractors). PostNL heeft daartoe met deze subcontractors overeenkomsten gesloten. De subcontractors zijn hetzij zelfstandige zonder personeel (zzp’er), hetzij zelfstandige met werkend personeel (zmp’ers), hetzij zelfstandige met een zelfstandige (zmz’er). X drijft sinds 1 april 2013 een eenmanszaak. Op 11 juli 2013 hebben PostNL en X een ‘Vervoersovereenkomst’ (hierna: de overeenkomst) gesloten. X behoort tot een groep van 19 subcontractors met wie de overeenkomst is opgezegd wegens klachten over de uitvoering van hun werkzaamheden en/of hun opstelling tijdens collectieve acties medio 2015. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of X werkzaam is op basis van een overeenkomst van opdracht (standpunt PostNL) of op basis van een arbeidsovereenkomst (standpunt X).

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het toetsingskader wordt gevormd door artikel 7:610 BW en de inhoud die daaraan is gegeven door de Hoge Raad in (onder meer) de arresten Groen/Schoevers (NJ 1998/149), ABN AMRO/Mahli (NJ 2003/124), Diosynth/Groot (NJ 2005/239), Thuiszorg Rotterdam/PGGM (NJ 2007/449) en De Gouden Kooi (NJ 2011/594) en recentelijk HR 9 oktober 2015 (JAR 2015/277). In de Vervoersovereenkomst is toepasselijkheid van Boek 7 BW ‘met name de (…) arbeidsovereenkomst’ uitgesloten. De partijbedoeling lijkt duidelijk niet gericht te zijn geweest op het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Echter, in een situatie waarin partijen maatschappelijk en economisch als gelijkwaardig zijn te beschouwen, dient meer gewicht te worden toegekend aan de partijbedoeling zoals deze blijkt uit de tussen hen gesloten overeenkomst(en), dan in een situatie waarin sprake is van maatschappelijke ongelijkheid en economische afhankelijkheid. In dat laatste geval zijn er immers minder argumenten om betrokkenen de ongelijkheidscompensatie van het arbeidsrecht te ontzeggen. Ten aanzien van de feitelijke uitvoering wordt het volgende overwogen. Vast staat dat X niet werd beloond op basis van zijn inspanningen en/of op basis van gewerkte uren, maar op basis van het door hem geleverde resultaat. De aard van de werkzaamheden is zodanig dat ten aanzien van de inhoud van het werk weinig inhoudelijke instructie valt te geven. PostNL heeft echter ten aanzien van vrijwel alles wat met de uitvoering van het werk samenhangt, zoals de bedrijfskleding, het schoeisel en de wijze waarop de scanner voor pakjes bevestigd dient te worden aan de broekriem, gedetailleerde instructies gegeven. Hetzelfde geldt ten aanzien van de kleur en de maatvoering waaraan de bus van X dient te voldoen. Er zijn Werkinstructies en Huisregels van toepassing verklaard die ook gelden voor de werknemers van PostNL. De werkzaamheden van X werden blijkens de Bijlage bij de Vervoersovereenkomst op vaste dagen verricht, namelijk op dinsdag tot en met zaterdag. X was verplicht om op vaste tijdstippen de pakketten van het depot op te halen. Het was X niet toegestaan om zich structureel door een ander te laten vervangen bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Wel mocht X zich incidenteel laten vervangen, bijvoorbeeld in geval van ziekte of vakantie. Hoewel een aantal aspecten duidt op zelfstandig ondernemerschap, komt de kantonrechter als zij de balans opmaakt van alle omstandigheden, tot de conclusie dat de overeenkomst tussen PostNL en X gekwalificeerd moet worden als een arbeidsovereenkomst.

De wijze waarop PostNL instructies geeft ten aanzien van de uitvoering van het werk en op de naleving daarvan toeziet, laat zo weinig ruimte voor eigen invulling dat ondernemingsvrijheid nagenoeg geheel ontbreekt. Tot die vrijheid behoort het in elk geval ten dele naar eigen inzicht kunnen uitvoeren van de werkzaamheden en invloed kunnen uitoefenen op te behalen resultaten. Die mogelijkheid is er niet of nauwelijks. De stelling van PostNL dat op een aantal onderdelen wél onderhandelingsruimte bestaat (bijvoorbeeld ten aanzien van de tariefstelling en de route), is onvoldoende onderbouwd. X heeft gesteld (a) dat hij in de praktijk - mede doordat zijn vervoerscontract een volle werkweek beslaat en als gevolg van de eisen die gesteld worden ten aanzien van de bus - net als veel andere subcontractors uitsluitend voor PostNL rijdt, en (b) dat het hem niet was toegestaan om op de dagen dat hij voor PostNL werkte, tegelijkertijd vervoerswerkzaamheden voor andere opdrachtgevers uit te voeren. PostNL heeft beide stellingen onvoldoende gemotiveerd betwist. Op zichzelf voert het werken voor één opdrachtgever niet automatisch tot de conclusie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, zoals de gemachtigde van PostNL terecht heeft betoogd. Wanneer echter deze ene opdrachtgever enerzijds zeer strakke kaders verstrekt waarbinnen de werkzaamheden dienen te worden verricht, terwijl anderzijds vanwege de economische afhankelijkheid nauwelijks tot geen ruimte bestaat om over die kaders te onderhandelen, ontstaat eerder het beeld van een gezagsverhouding dan dat van zelfstandig ondernemerschap. Nu sprake is van een arbeidsovereenkomst, is de opzegging hiervan zoals deze door PostNL is gedaan op 20 augustus 2015 in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet daarop komt die opzegging op grond van artikel 7:681 lid 1 BW voor vernietiging in aanmerking. Partijen mogen zich nog uitlaten over de gevorderde wedertewerkstelling en de loonvordering. De beslissing wordt op deze onderdelen aangehouden.