Naar boven ↑

Rechtspraak

Union des syndicats de l’immobilier (UNIS)/Ministre du Travail, de l’Emploi et de la Formation professionnelle et du Dialogue social, Syndicat national des résidences de tourisme (SNRT) e.a.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 17 december 2015
ECLI:EU:C:2015:821

Union des syndicats de l’immobilier (UNIS)/Ministre du Travail, de l’Emploi et de la Formation professionnelle et du Dialogue social, Syndicat national des résidences de tourisme (SNRT) e.a.

Algemeen verbindendverklaring van cao waarbij het beheer van een - ten voordele van de werknemers ingevoerd - verplicht aanvullend stelsel van sociale voorzieningen wordt toevertrouwd aan één, door de sociale partners gekozen marktdeelnemer, is in strijd met vrij verkeer van diensten en transparantiebeginsel wanneer de nationale regeling niet zorgt voor een passende mate van openbaarheid die de bevoegde overheidsinstantie in staat stelt ten volle rekening te houden met verstrekte informatie waaruit blijkt dat er een voordeligere offerte bestaat.

In het kader van twee afzonderlijke beroepen tot nietigverklaring die door de Union des syndicats de l’immobilier (UNIS) respectievelijk door Beaudout Père et Fils SARL zijn ingesteld tegen twee besluiten waarbij de ministre du Travail, de l’Emploi et de la Formation professionnelle et du Dialogue social (minister van Arbeid, Werkgelegenheid, Beroepsopleiding en Sociaal Overleg) collectieve arbeidsovereenkomsten waarbij een voorzorgsinstelling wordt aangewezen als enig beheersorgaan voor één of meerdere aanvullende stelsels van sociale voorzieningen dan wel voor de terugbetaling van kosten voor gezondheidszorg, verbindend verklaart voor alle werkgevers en werknemers van de betreffende bedrijfstak, zijn prejudiciële vragen gesteld. Met zijn in beide verzoeken om een prejudiciële beslissing gestelde vraag wenst de Conseil d’État in wezen te vernemen of de uit artikel 56 VWEU voortvloeiende transparantieverplichting geldt indien een door de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties voor een bepaalde bedrijfstak gesloten collectieve arbeidsovereenkomst waarbij het beheer van een - ten voordele van de werknemers ingevoerd - verplicht aanvullend stelsel van sociale voorzieningen wordt toevertrouwd aan één, door de sociale partners gekozen marktdeelnemer, door een lidstaat verbindend wordt verklaard voor alle werkgevers en werknemers van die bedrijfstak.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Blijkens de rechtspraak vloeit de transparantieverplichting voort uit de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, die in het kader van de door artikel 56 VWEU gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting in acht moeten worden genomen. Indien er geen sprake is van enige transparantie, vormt de gunning van de betreffende opdracht aan een onderneming die gevestigd is in de lidstaat waar de gunningsprocedure plaatsvindt, namelijk een ongelijke behandeling waarvan de gevolgen hoofdzakelijk ten koste gaan van alle mogelijkerwijs geïnteresseerde ondernemingen die gevestigd zijn in andere lidstaten, aangezien laatstgenoemde ondernemingen geen daadwerkelijke mogelijkheid hebben gehad om hun belangstelling te uiten. Die ongelijke behandeling levert in de regel indirecte discriminatie op grond van nationaliteit op, hetgeen in beginsel verboden is krachtens onder meer artikel 56 VWEU (zie in die zin met name de arresten Coname, C-231/03, ECLI:EU:C:2005:487, punten 17-19; en Belgacom, C-221/12, ECLI:EU:C:2013:736, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Noch het feit dat collectieve arbeidsovereenkomsten en de aanhangsels erbij worden neergelegd bij een bestuursorgaan en op internet kunnen worden geraadpleegd, noch de bekendmaking in een publicatieblad van een bericht waarin wordt meegedeeld dat het voornemen bestaat om een procedure tot algemeenverbindendverklaring van een aanhangsel bij een dergelijke overeenkomst in te stellen, noch de mogelijkheid voor iedere belanghebbende om na deze bekendmaking zijn opmerkingen kenbaar te maken, zorgt - zelfs wanneer die elementen in hun geheel worden beschouwd - voor een passende mate van openbaarheid waardoor gewaarborgd kan worden dat geïnteresseerde marktdeelnemers, in overeenstemming met de doelstellingen van de transparantieverplichting, blijk kunnen geven van hun belangstelling voor het beheer van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde stelsel van sociale voorzieningen alvorens het besluit tot algemeenverbindendverklaring, op volstrekt onpartijdige wijze, wordt vastgesteld. De belanghebbenden beschikken immers slechts over een termijn van vijftien dagen om hun opmerkingen in te dienen, wat aanzienlijk korter is dan de termijnen die - behalve voor spoedeisende gevallen - worden vastgesteld in de artikelen 38, 59 en 65 van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU L 134, p. 114, met rectificatie in PbEU 2004, L 351, p. 44), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1251/2011 van de Commissie van 30 november 2011 (PbEU L 319, p. 43). Deze richtlijn is weliswaar in casu niet van toepassing, maar kan op het gebied van de termijnen fungeren als referentiekader. Tevens blijkt uit de door de Franse regering ter terechtzitting voor het Hof geformuleerde opmerkingen dat de bevoegde minister alleen maar een wettigheidstoezicht uitoefent. Derhalve lijkt die minister ook bevoegd te zijn om de betreffende overeenkomst algemeen verbindend te verklaren wanneer hij door een belanghebbende in kennis wordt gesteld van het bestaan van een voordeligere offerte. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit inderdaad het geval is. Gelet op een en ander dient op de - in beide zaken gestelde - prejudiciële vraag te worden geantwoord dat de uit artikel 56 VWEU voortvloeiende transparantieverplichting eraan in de weg staat dat een door de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties voor een bepaalde bedrijfstak gesloten collectieve arbeidsovereenkomst waarbij het beheer van een, ten voordele van de werknemers ingevoerd, verplicht aanvullend stelsel van sociale voorzieningen wordt toevertrouwd aan één, door de sociale partners gekozen marktdeelnemer, door een lidstaat verbindend wordt verklaard voor alle werkgevers en werknemers van die bedrijfstak, wanneer de nationale regeling niet zorgt voor een passende mate van openbaarheid die de bevoegde overheidsinstantie in staat stelt ten volle rekening te houden met verstrekte informatie waaruit blijkt dat er een voordeligere offerte bestaat. De werking van het onderhavige arrest strekt zich niet uit tot collectieve arbeidsovereenkomsten die één enkel orgaan belasten met het beheer van een aanvullend stelsel van sociale voorzieningen en die, vóór de datum van de uitspraak van dit arrest, door een overheidsinstantie verbindend zijn verklaard voor alle werkgevers en werknemers van een bepaalde bedrijfstak, een en ander onverminderd de vóór die datum ingestelde beroepen in rechte.