Rechtspraak
Hoge Raad, 18 december 2015
ECLI:NL:HR:2015:3623
Stichting Kempisch Centrum voor Muziek & Dans/werknemer
KCMD heeft haar activiteiten met ingang van 1 augustus 2008 gestaakt. Ten behoeve van de werknemers is een sociaal plan opgesteld. Artikel 6.2 van het sociaal plan luidt: Werknemers geboren voor 1 januari 1950 worden per 1 augustus 2008 op non-actief gesteld met behoud van salaris en pensioenopbouw, zodat zij op de spilleeftijd (62 jaar en 3 maanden) gebruik kunnen maken van de FPU. Eventuele salarisverhogingen vallen tot aan de spilleeftijd binnen deze afspraak. Tijdens FPU wordt salaris aangevuld en pensioen ingekocht, waardoor de werknemer geen nadeel ondervindt van gebruik FPU. Werknemers met een aanspraak op ABP-pensioen zoals werknemer, die tot één maand voor de maand waarin zij 65 jaar worden geen gebruik hebben gemaakt van FPU, kunnen hun niet-opgenomen FPU-tijd omzetten in een verhoging van hun ouderdomspensioen (het Vendrik-effect). Omdat werknemer per 1 februari 2009 van FPU gebruik maakt, loopt hij deze mogelijkheid mis. KCMD stelt zich op het standpunt dat zij niet op grond van artikel 6.2 van het sociaal plan het nadeel hoeft te compenseren dat voor werknemer voortvloeit uit het gemis van deze mogelijkheid. Werknemer verdedigt het omgekeerde standpunt. Werknemer heeft op grond van artikel 8 sociaal plan bezwaar gemaakt bij de bezwarencommissie. Deze commissie heeft werknemers bezwaar gegrond bevonden. Het hof heeft geoordeeld dat KCMD op grond van artikel 8.7 sociaal plan gehouden was, nu de bezwarencommissie het bezwaar van werknemer gegrond had verklaard, om met inachtneming van de uitspraak van de bezwarencommissie een nieuw besluit te nemen. De woorden ‘tenzij tot genoegen van de bezwarencommissie kan worden aangetoond dat zulks geheel of gedeeltelijk onmogelijk is’ kunnen, in samenhang met de woorden ‘met in achtneming van de uitspraak, een nieuw besluit te nemen’ niet anders worden begrepen dan dat KCMD daarbij gebonden was aan de uitspraak van de bezwarencommissie. Volgens KCMD wordt hiermee de toegang tot de overheidsrechter belemmerd.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van deze klacht dient tot uitgangspunt dat KCMD bij de door het hof aan artikel 8.7 gegeven uitleg slechts in zoverre wordt beperkt in haar bevoegdheid het geschil aan de rechter voor te leggen, dat de verplichting om een nieuw besluit te nemen in overeenstemming met het oordeel van de bezwarencommissie eerst geldt indien het geschil niet door een werknemer of de werkgever bij de rechter aanhangig is gemaakt, hetgeen zelfs nog mogelijk is tijdens de behandeling van het bezwaar door de bezwarencommissie (art. 8.8 en 8.9 van het sociaal plan). In het oordeel van het hof ligt besloten dat KCMD, die als contractspartij betrokken was bij het overeenkomen van het sociaal plan, de uit de uitleg van het hof voortvloeiende beperking van haar bevoegdheid ondubbelzinnig heeft aanvaard. Het onderdeel mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag. Het onderdeel voert daarnaast aan dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is gemotiveerd. In dit verband wijst het erop dat KCMD in de feitelijke instanties heeft aangevoerd dat het in taalkundig opzicht geenszins voor de hand ligt om de in artikel 8.7 van het sociaal plan bedoelde verplichting van KCMD als werkgever om ‘met inachtneming van’ de uitspraak van de bezwarencommissie een nieuw besluit te nemen, aldus uit te leggen dat de werkgever in beginsel aan die uitspraak is gebonden. Volgens KCMD moet ‘met inachtneming van’ aldus worden begrepen dat KCMD zich bij het nemen van een nieuw besluit rekenschap dient te geven van de uitspraak van de bezwarencommissie, in die zin dat zij slechts is gehouden de daaraan ten grondslag liggende overwegingen te verdisconteren in de motivering van haar nieuwe besluit. Het hof heeft deze uitleg klaarblijkelijk niet aannemelijk geacht. Dat is niet onbegrijpelijk, nu die uitleg zou leiden tot het onaannemelijke rechtsgevolg dat de in de bepaling voorziene uitzondering (‘tenzij tot genoegen van de bezwarencommissie kan worden aangetoond dat zulks geheel of gedeeltelijk onmogelijk is’) enkel betrekking zou hebben op de motiveringsplicht. KCMD heeft niet aangevoerd, en het valt ook niet in te zien, in welke omstandigheden het geheel of gedeeltelijk onmogelijk zou zijn een afwijking van de uitspraak van de bezwarencommissie te motiveren, zodat de uitzondering waarin de bepaling voorziet bij de door KCMD bepleite uitleg zonder zin zou zijn. Het in de motivering van het hof besloten liggende oordeel dat KCMD de inhoud van artikel 8.7 van het sociaal plan redelijkerwijs niet anders heeft kunnen begrijpen dan in de door het hof genoemde zin, en dat zij dan ook geacht moet worden daarmee - als partij bij het sociaal plan - ondubbelzinnig te hebben ingestemd, is, gelet op het voorgaande, evenmin onbegrijpelijk.