Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 22 december 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:11398
werkneemster/Cargill B.V.
Werkneemster is in dienst van GCA en verricht haar werkzaamheden sinds medio 2006 op de bedrijfslocatie van Cargill (opdrachtgever van GCA). Tussen werkneemster en GCA is op een gegeven moment een geschil ontstaan over de betaling van het loon. Vervolgens heeft werkneemster Cargill verzocht het achterstallige loon te betalen. Cargill heeft dit geweigerd, omdat werkneemster geen arbeidsovereenkomst met Cargill heeft. Voorts heeft werkneemster Cargill (mede) aansprakelijk gesteld voor de betaling van het achterstallige loon. Naar aanleiding hiervan is werkneemster de toegang tot de terreinen en bedrijfsgebouwen van Cargill ontzegd. GCA heeft werkneemster passende arbeid aangeboden, hetgeen werkneemster heeft geweigerd. Voorts heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen GCA en werkneemster ontbonden met ingang van 9 januari 2016. Werkneemster vordert in kort geding toelating tot het verrichten van haar werkzaamheden op de cateringafdeling van de vestiging van Cargill te Wormer en betaling van een voorschot op schadevergoeding. Zij stelt dat Cargill onrechtmatig jegens haar handelt. Cargill stelt dat werkneemster geen spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Voorts moet werkneemster voor achterstallig loon bij GCA aankloppen en is volgens Cargill geen sprake van onrechtmatig handelen.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het belang van werkneemster bij haar vordering haar (opnieuw) toegang te verlenen tot haar werkplek bij Cargill is voldoende spoedeisend. Ook bij haar vordering tot toekenning van een (voorschot op) schadevergoeding heeft werkneemster voldoende spoedeisend belang, gelet op het feit dat zij sinds 2 oktober 2015 geen inkomsten meer heeft. De enkele omstandigheid dat werkneemster de opdrachtgever van haar werkgeefster driemaal heeft aangeschreven ter zake van achterstallig loon, levert onvoldoende grond op om haar vervolgens de toegang tot de terreinen en bedrijfsgebouwen te ontzeggen en het haar daarmee feitelijk onmogelijk te maken de reeds negen jaar door haar uitgevoerde werkzaamheden op die werkplek voort te zetten. Het verwijt dat de sfeer op de werkvloer zodanig negatief beïnvloed werd door het geschil van werkneemster met GCA dat weigering van de toegang om die reden was gerechtvaardigd, is door Cargill niet geconcretiseerd of nader onderbouwd en bij betwisting zijdens werkneemster onvoldoende aannemelijk geworden. Voorts is gesteld noch gebleken dat de kwaliteit van de catering in algemene zin of de kwaliteit van de werkzaamheden van werkneemster in het bijzonder als gevolg van een wijziging in de werksfeer te wensen overlieten. Deze omstandigheden kwalificeren derhalve evenmin als een redelijke grond om werkneemster de toegang tot de werkplek te weigeren. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de weigering van Cargill om werkneemster nog langer toegang te verlenen tot haar terreinen en bedrijfsgebouwen onder de gegeven omstandigheden in strijd is met de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid en daarmee onrechtmatig. De vordering van werkneemster die ertoe strekt dat Cargill haar moet toelaten is dan ook toewijsbaar. Om te kunnen voldoen aan het vonnis is Cargill niet afhankelijk van GCA. Indien GCA werkneemster niet opdraagt werkzaamheden bij Cargill te verrichten, behoeft Cargill werkneemster ook geen toegang te verlenen en overtreedt Cargill het in deze te wijzen vonnis dus niet. De vordering, strekkende tot betaling van een voorschot op door Cargill aan werkneemster verschuldigde schadevergoeding, wordt afgewezen. Het is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter, indien om een oordeel wordt gevraagd, uiteindelijk zal oordelen dat de gestelde schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen door Cargill.