Naar boven ↑

Rechtspraak

Woningstichting De Woonplaats/erven werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 8 december 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:9263

Woningstichting De Woonplaats/erven werknemer

Werkgever aansprakelijk voor asbestschade. Kans dat asbestschade bij vorige werkgever is ontstaan is net zo groot als bij huidige werkgever. Alternativiteit.

Werknemer heeft van 6 februari 1985 tot 2002 bij bedrijf X gewerkt, de rechtsvoorgangster van De Woonplaats. Hij stelt dat hij daar aan asbest is blootgesteld, waardoor hij mesothelioom heeft gekregen - welke ziekte in 2007 is gediagnosticeerd - of in ieder geval kan hebben gekregen. Hij heeft De Woonplaats voor de gevolgen daarvan aansprakelijk gesteld. Werknemer is op 27 maart 2008 overleden. De erven hebben de vordering van werknemer, alsmede hun eigen vorderingen uit hoofde van zijn ziekte en overlijden, jegens De Woonplaats aanhangig gemaakt. De kantonrechter heeft de vorderingen van de erven toegewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Nu de erven onbetwist hebben gesteld dat die diagnose infaust is en de overlijdensdatum 27 maart 2008 ongeveer een jaar na de diagnose mesothelioom is gelegen, is voldoende aannemelijk gemaakt dat werknemer aan die ziekte is overleden. De Woonplaats heeft weliswaar gesteld dat werknemer ook leed aan OPS, maar zij heeft niet gesteld dat die ziekte infaust is.

De Woonplaats voert aan dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat werknemer de ziekte mesothelioom al bij zich droeg toen hij in 1985 in dienst trad van bedrijf X, aangezien werknemer zelf heeft verklaard dat hij in het familiebedrijf C Schildersbedrijf van 1964 tot 1982 veelvuldig aan asbest is blootgesteld en mesothelioom zich eerst gemiddeld na dertig jaar na de laatste blootstelling manifesteert. Primair voert De Woonplaats aan dat de schade dan voor risico van werknemer moet blijven. Subsidiair stelt zij dat de schade hooguit proportioneel (voor een factor 8:31) voor haar risico behoort te komen. Ook het hof is van oordeel, op gelijke gronden als de kantonrechter, dat met de verklaringen van werknemer (schriftelijk) en getuige 3, getuige 4 en getuige 5 (onder ede) is komen vast te staan dat werknemer bij bedrijf X aan asbest is blootgesteld. Getuige 3 heeft verklaard dat hij heel veel met werknemer heeft samengewerkt, hij dacht wel een jaar of tien. Getuige 4 heeft verklaard dat hij werknemer eigenlijk alleen bij verhuizingen tegenkwam en dat hij dacht dat zij er ongeveer 50-60 samen per jaar deden, waarbij de vloer eruit gehaald werd. Getuige 5 heeft verklaard dat hij denkt dat hij werknemer wel wekelijks tegenkwam.

Anders dan De Woonplaats acht het hof het niet ‘hoogst onwaarschijnlijk’ dat het mesothelioom van werknemer is veroorzaakt door de blootstelling bij bedrijf X (en later De Woonplaats). Werknemer is immers gedurende de jaren 1984/1985 tot in 1993 (naar zijn eigen verklaring jegens het Instituut Asbestslachtoffers) bij bedrijf X aan asbest blootgesteld, een periode dus van ongeveer acht à negen jaar, terwijl de ziekte eerst in 2007, dus toch geruime tijd later, is gediagnosticeerd. Weliswaar moet worden aangenomen dat werknemer eveneens gedurende een periode van 18 jaar (van 1964 tot 1982) aan asbest is blootgesteld bij zijn werkzaamheden voor C Schildersbedrijf, zodat de kans dat de ziekte is veroorzaakt door de blootstelling bij C Schildersbedrijf substantieel is, maar dat neemt niet weg dat de blootstelling gedurende acht à negen jaar bij bedrijf X zodanig substantieel is geweest dat er een voldoende grote kans bestaat dat de oorzaak van werknemers ziekte in die blootstelling bij bedrijf X is gelegen. Anders dan door De Woonplaats is aangevoerd, kan uit de stelling dat het tijdsverloop tussen de blootstelling en het ontstaan van de ziekte gemiddeld dertig jaar bedraagt (welke stelling door De Woonplaats overigens is betwist), niet worden afgeleid dat hoogst waarschijnlijk is dat werknemer de ziekte bij C Schildersbedrijf heeft opgelopen. De hiervoor geciteerde print van de website www.comiteasbestslachtoffers.nl vermeldt dat die tijdsduur sterk varieert en van 3 tot 60 jaar kan bedragen. Er is geen grond om aan te nemen dat juist bij werknemer sprake is van de gestelde gemiddelde latentietijd of langer.

Aangenomen moet worden dat de kans zeer groot is dat werknemer leed aan mesothelioom dat is ontstaan door de blootstelling bij ofwel C Schildersbedrijf ofwel bedrijf X. Voor die zeer grote kans is dus sprake van een alternatieve causaliteit als bedoeld in artikel 6:99 BW, die leidt tot een hoofdelijke aansprakelijkheid, tenzij de aangesprokene bewijst dat de schade niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is. Dat bewijs heeft De Woonplaats niet aangeboden. Het hof ziet in het feit dat werknemer is opgegroeid in het gezin van C, zijn werkgever, onvoldoende grond voor het oordeel dat het risico van blootstelling bij die werkgever voor zijn eigen rekening moet komen en dat artikel 6:99 BW dus als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, buiten toepassing moet worden gelaten. De slotsom van het voorgaande is dat is bewezen dat werknemer bij bedrijf X aan asbest is blootgesteld, dat bedrijf X niet heeft bewezen dat zij aan haar zorgplicht jegens werknemer heeft voldaan, dat er een substantiële kans is dat die blootstelling bij bedrijf X de ziekte heeft veroorzaakt, dat er een eveneens substantiële kans is dat de blootstelling bij werkgever C Schildersbedrijf de ziekte heeft veroorzaakt, dat niet van een andere reële veroorzaking is gebleken en dat bedrijf X en C Schildersbedrijf dus op grond van artikel 6:99 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die werknemer als gevolg van zijn ziekte heeft geleden, nu niet is gebleken van omstandigheden die met zich brengen dat toepassing van dit artikel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.