Rechtspraak
werkgever/werkneemster
Werkneemster was patiënte van de tandartsenpraktijk van werkgever. Vanaf 21 juni 2008 tot 10 juli 2009 heeft werkneemster werkzaamheden verricht in deze praktijk. Zij heeft over de periode 21 augustus 2008 tot 1 juli 2009 een vergoeding van € 600 netto per maand ontvangen, steeds onder de omschrijving ‘solares’ of ‘solares en reiskosten’. Een schriftelijk stuk dat de rechtsverhouding tussen partijen regelde, is niet opgemaakt. Werkneemster heeft geen diploma’s van enige opleiding als tandartsassistente. De centrale vraag die partijen verdeeld houdt, is of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een stageovereenkomst.
Het hof oordeelt als volgt. Aan de voorwaarden van artikel 7:610a BW is voldaan, zodat werkgever wordt toegelaten tegenbewijs te leveren. Dat heeft werkgever gedaan middels een drietal getuigenverklaringen. Het hof leidt uit de verklaringen af dat werkneemster als een soort volontair/stagiaire in de praktijk van werkgever is gaan werken om het werk van tandartsassistente te leren en dat zij niet al het normale werk van de tandartsassistente deed, waartoe zij ook niet gekwalificeerd was. Het hof is alles afwegende van oordeel dat tussen partijen in overwegende mate sprake was van een volontair/stagiaire-verhouding, in welk kader ook bijkomende, daaraan ondergeschikte werkzaamheden werden verricht, en niet van een arbeidsovereenkomst.