Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 15 januari 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:281
werkneemster/Administratie- en Inkoopcentrum Correct Group B.V.
Werkneemster is met ingang van 20 januari 1992 in dienst getreden bij Correct, in de functie van directiesecretaresse. Op 30 april 2014 heeft Correct bij het UWV een ontslagaanvraag voor werkneemster op grond van bedrijfseconomische redenen ingediend. Het UWV heeft op 29 juli 2014 aan Correct medegedeeld de verzochte toestemming te verlenen. Bij brief van 30 juli 2014 heeft Correct gebruik gemaakt van de haar door het UWV verleende toestemming en heeft zij de arbeidsovereenkomst met werkneemster opgezegd tegen 1 november 2014. Werkneemster vordert betaling van een schadevergoeding van € 172.967,09 bruto vanwege kennelijk onredelijke opzegging. Correct heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster stelt dat haar functie van directiesecretaresse uitwisselbaar is met de functie van secretaresse. Volgens de kantonrechter omvatten beide functies wel deels overeenkomende taken, maar verschillen zij ook op essentiële punten. Zo is voor de functie van directiesecretaresse een specifiek secretariële opleiding vereist evenals beheersing van ten minste twee vreemde talen. Ook bestaat een verschil in de salariëring. Hierdoor kunnen de functies van directiesecretaresse en secretaresse/secretariaatmedewerkster niet als onderling uitwisselbaar worden beschouwd. Ook de functie van mevrouw J. is niet onderling uitwisselbaar met de functie van werkneemster. Gelet op het voorgaande wordt uitgegaan van het feit dat werkneemster een unieke functie bekleedde, zodat afspiegeling niet aan de orde is. Voorts is voldoende vast komen te staan dat Correct, gelet op haar (slechte) financiële omstandigheden ten tijde van het ontslag, genoodzaakt was tot het nemen van personele maatregelen. Correct heeft werkneemster daarom geen (financiële) afvloeiingsregeling aangeboden. Correct heeft met de overgelegde financiële cijfers, de brief van de accountant en het aangehaalde advies van ondernemingsraad voldoende aangetoond dat zij niet beschikt over financiële ruimte voor het aanbieden van een geldelijke vergoeding. Verder heeft Correct voldoende inspanningen en voorzieningen geboden om werkneemster te herplaatsen, voornamelijk gelet op de (financiële) mogelijkheden van Correct. Dit laat onverlet dat het voor werkneemster lastig is elders een nieuwe (passende) baan te vinden. Aannemelijk is dan ook dat zij door het ontslag inkomens- en pensioenschade heeft geleden en mogelijkerwijs nog zal lijden. Anderzijds is duidelijk dat Correct groot belang heeft bij het voorkomen van een faillissement, het waarborgen van de continuïteit van de onderneming en het behoud van de banen van de overgebleven medewerkers. Geoordeeld wordt dat, mede gelet op de voor werkneemster getroffen voorzieningen en de voor haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging van het dienstverband voor werkneemster weliswaar substantieel zijn, maar niet zodanig ernstig dat deze zwaarder wegen dan het belang van Correct bij de opzegging. Van een kennelijk onredelijke opzegging ex artikel 7:681 lid 2 onderdeel b (oud) BW is dan ook geen sprake.