Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20 januari 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:447
X c.s./Spijkenisse Medisch Centrum B.V. c.s.
X is vrijgevestigd medisch specialist voor radiologie. X oefende zijn praktijk sinds 1989 uit in het Ruwaard van Puttenziekenhuis (hierna: Ruwaard van Putten) op grond van een met het Ruwaard van Putten gesloten toelatingsovereenkomst. In de toelatingsovereenkomst is onder meer opgenomen dat X een goodwillvergoeding zou toekomen op het moment dat de toelatingsovereenkomst eindigt. Op 24 juni 2013 failleerde het Ruwaard van Putten. Het faillissement is voorafgegaan door een prepackprocedure. Onder de naam Spijkenisse Medisch Centrum (hierna: SMC) is een doorstart gemaakt. Aan X is op 26 juni 2013 bericht dat SMC geen gebruik zal gaan maken van zijn diensten. X vordert betaling van schadevergoeding, onder meer bestaande uit goodwillschade.
De rechtbank oordeelt als volgt. Van onrechtmatig handelen van SMC is geen sprake. Ten tijde van het aanvragen van de prepackprocedure was sprake van een reële faillissementssituatie. In de voorgeschiedenis van het faillissement van het Ruwaard van Putten valt geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de conclusie dat de faillissementsaanvraag en de daaropvolgende doorstart tot doel had SMC in de gelegenheid te stellen zich te ontdoen van bepaalde medisch specialisten en vervolgens hun praktijk voort te zetten. Voorts oordeelt de rechtbank het volgende. Hoewel de rechtbank aanneemt dat bij overname van de praktijk van een medisch specialist door de overnemende partij (althans, door het ziekenhuis voor zover de praktijk de facto wordt voortgezet met een specialist in loondienst) een goodwillvergoeding pleegt te worden betaald, kan een dergelijke verplichting in het onderhavige geval niet worden aangenomen, nu van een overname van de praktijk van X geen sprake is geweest. De toelatingsovereenkomst met X is immers niet door SMC overgenomen. Het voorgaande neemt niet weg dat door de overname van het ziekenhuis de facto ook de in het Ruwaard van Putten gevoerde praktijken in ieder geval gedeeltelijk zijn voortgezet door SMC, waaronder de praktijk van X. De bestaande relaties met patiënten schaart de rechtbank hier onder het begrip ‘de praktijk’. Uit het betoog van X valt af te leiden dat een deel van de patiënten bij het aangaan van de initiële behandelingsovereenkomst specifiek voor X heeft gekozen. Vast staat dat X na het faillissement niet werkzaam kon zijn bij SMC, met als mogelijk gevolg dat de voorheen door X behandelde patiënten ondergebracht moesten worden bij een andere radioloog. Aannemelijk is dan ook dat die patiëntengroep thans door radiologen in SMC wordt behandeld. Een en ander maakt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, waardoor SMC wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan X. Voor de berekening van de hoogte van de schadevergoeding zal de rechtbank een deskundige benoemen. De rechtbank houdt iedere beslissing aan.