Naar boven ↑

Rechtspraak

ondernemingsraad van HTM Personenvervoer N.V./HTM Personenvervoer N.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 7 januari 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:1105

ondernemingsraad van HTM Personenvervoer N.V./HTM Personenvervoer N.V.

Invoering nieuw Dienstenpakket door HTM Personenvervoer is instemmingsplichtig. Nu de OR niet heeft ingestemd, is sprake van een nietig besluit.

HTM Personenvervoer verzorgt het openbaar vervoer per tram en bus in de regio Den Haag. De ondernemingsraad van HTM Personenvervoer vordert, kort gezegd, HTM Personenvervoer te verbieden om na 13 december 2015 het Dienstenpakket Rail 2016 uit te voeren en toe te passen op de medewerkers van HTM, zolang de ondernemingsraad of de cao-partijen hiermee niet hebben ingestemd dan wel de kantonrechter hiervoor vervangende toestemming heeft verleend. Voorts vordert hij HTM Personenvervoer te verplichten vanaf 13 december 2015 de cao-afspraken en de nadere afspraken met betrekking tot het aflossen en slippen in het kader van de veiligheid van de medewerkers na te leven. HTM Personenvervoer voert gemotiveerd verweer.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Geconstateerd moet worden dat op grond van het bepaalde in artikel 27 lid 5 WOR het door HTM Personenvervoer genomen besluit nietig is. HTM Personenvervoer heeft geen instemming van de ondernemingsraad gekregen en HTM Personenvervoer heeft geen toestemming op grond van artikel 27 lid 4 WOR aan de kantonrechter gevraagd. De ondernemingsraad heeft schriftelijk een beroep gedaan op de nietigheid. Dan kan niet gezegd worden dat de ondernemingsraad ten onrechte op de nietigheid een beroep heeft gedaan. Voor zover al gezegd kan worden dat, in het kader van de vraag of de ondernemingsraad ten onrechte een beroep op nietigheid van het besluit heeft gedaan, aan de orde kan komen of de ondernemingsraad ten onrechte zijn instemming aan het besluit heeft onthouden, wordt in aanmerking genomen dat het gaat om de gedetailleerde uitvoering van verschillende gestelde afspraken die, volgens de ondernemingsraad, het welzijn, het welbevinden en de veiligheid van de medewerkers van HTM Personenvervoer raken. De beoordeling daarvan vergt diepgaand onderzoek, waartoe een procedure als de onderhavige zich niet leent, temeer nu verder bewijs noodzakelijk zal zijn. Het ligt dan ook niet voor de hand dat in kort geding vooruitgelopen zal worden op een beslissing ter zake van de bodemrechter. HTM Personenvervoer zou er verstandig aan gedaan hebben zich tijdig op grond van artikel 27 lid 4 WOR tot de kantonrechter gewend te hebben. HTM Personenvervoer heeft nog aangevoerd dat de ondernemingsraad constructief overleg heeft geweigerd. Zou HTM Personenvervoer zulks in de loop van de onderhandelingen geconstateerd hebben, dan had het op haar weg gelegen zich eerder te wenden tot de vakbonden voor instemming en/of de kantonrechter voor vervangende toestemming. HTM Personenvervoer kan dan thans niet met vrucht betogen dat de ondernemingsraad constructief overleg geweigerd heeft.

De kantonrechter komt nu toe aan het tweede deel van de vordering die ziet op handhaving van cao-afspraken en andere afspraken. De ondernemingsraad heeft niet, althans onvoldoende aangetoond dat HTM Personenvervoer in strijd met cao- of andere afspraken handelt. Het tweede deel van de vordering wordt dan ook afgewezen. De kantonrechter verbiedt HTM Personenvervoer om na 13 december 2015 het Dienstenpakket Rail 2016 uit te voeren en toe te passen op de medewerkers van HTM zolang de ondernemingsraad of de cao-partijen hiermee niet hebben ingestemd dan wel de kantonrechter hiervoor vervangende toestemming heeft verleend.