Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 9 februari 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:156
werknemer/Odfjell terminals B.V.
Op 16 januari 2013 is werknemer op de hoogte gesteld van een aantal voorgenomen veranderingen binnen Odfjell. Om de personele gevolgen van herstructurering/reorganisatie bij Odfjell op te vangen is op 1 maart 2013, in samenspraak met FNV Bondgenoten en CNV Vakmensen, een sociaal plan opgesteld, waarin een plaatsmakersregeling is opgenomen. Op 24 februari heeft werknemer aan Odfjell laten weten dat hij zich aanbiedt als plaatsmaker. Odfjell stelt dat werknemer niet voldoet aan de eisen van plaatsmaker. Vervolgens heeft de geschillencommissie aan de directie van Odfjell geadviseerd alsnog de plaatsmakersregeling op werknemer toe te passen. Odfjell heeft werknemer laten weten dit advies niet op te volgen. Werknemer is vervolgens een procedure gestart om een verklaring voor recht te krijgen, waaruit blijkt dat werknemer als plaatsmaker valt aan te merken. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Nu vordert werknemer vernietiging van het vonnis.
Het hof oordeelt als volgt. De eerste grief keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de uitspraak van de geschillencommissie niet in de weg staat aan een hernieuwde inhoudelijke beoordeling, nu het (enkel) gaat om een niet-bindende uitspraak. De kantonrechter had, aldus werknemer, slechts mogen oordelen over de vraag of de geschillencommissie in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen. Het hof onderschrijft de stellingname van werknemer niet. Partijen verschillen namelijk van mening of werknemer een op artikel 4.7 van het sociaal plan gebaseerde uitkering toekomt. In dat kader heeft werknemer zich gewend tot de geschillencommissie. Die commissie heeft in bedoelde kwestie een advies uitgebracht. Het is dan uiteindelijk aan Odfjell ter beoordeling of een aanspraak als door werknemer gemaakt, al dan niet moet/kan worden gehonoreerd. Waar werknemer het met de beslissing van Odfjell in dezen niet eens is, dient te worden beoordeeld of dat besluit van Odfjell in overeenstemming is met de tekst en strekking van genoemd artikel 4.7 van het sociaal plan. Dat besluit en niet het advies van de geschillencommissie dient te worden beoordeeld. Grief I gaat daarom niet op. In de grieven II en III ligt het verwijt besloten dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat werknemer niet in aanmerking komt voor een vergoeding als bedoeld in artikel 4.7 van het sociaal plan. Grief II en III slagen wel. Werknemer valt namelijk aan te merken als werknemer in de zin van artikel 4.7 van het sociaal plan. Immers, hij had een arbeidsovereenkomst met Odfjell voor onbepaalde tijd en was ten tijde van het indienen van het verzoek niet boventallig verklaard. Verder heeft hij zich bereid verklaard plaats te maken voor een collega die werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, beschikte over gelijkwaardige kwaliteiten en wel boventallig was verklaard. Daarmee kwalificeert werknemer zich als plaatsmaker. Werknemer kan echter uitsluitend gebruik maken van de plaatsmakersregeling zolang er sprake is van overbezetting. Dat er in casu sprake was van overbezetting wordt afgeleid uit productie XVIII. Het hof concludeert dan ook dat er zowel op het moment dat werknemer zich als plaatsmaker aanbood als ten tijde van zijn vertrek sprake was van overbezetting. Dat nadien aan de overbezetting een einde gekomen is, doet aan het vorenstaande niet af, nog daargelaten dat Odfjell onvoldoende concreet heeft aangegeven wanneer dat zou zijn gebeurd. Vorenstaande betekent dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. De vorderingen zoals door werknemer in eerste aanleg zijn ingesteld worden toegewezen.