Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 3 februari 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:620

werkneemster/Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

UWV handelt onrechtmatig jegens werkneemster bij behandeling ontslagaanvraag. Verlenen ontslagvergunning is onrechtmatig en UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van advocaatkosten (bijna € 19.000) die verband houden met kennelijk-onredelijkontslagprocedure.

Werkneemster heeft van 1 juni 2004 tot 1 maart 2010 bij werkgever gewerkt in de functie medewerker bediening. Werkgever heeft op 2 december 2009 voor (onder andere) werkneemster, wegens bedrijfseconomische redenen een ontslagvergunning aangevraagd. In de ontslagaanvraag is vermeld dat werkneemster de unieke functie van barmedewerker vervult en dat die functie niet uitwisselbaar is met de functie van medewerker bediening en voorts dat werkneemster geen eten serveert en dat ook niet wil. Werkneemster heeft verweer gevoerd en aangevoerd dat zij wel in de bediening werkt en dat haar functie uitwisselbaar is. Het UWV heeft de ontslagvergunning voor werkneemster verleend en vastgesteld dat van een uitwisselbare functie geen sprake is. Werkneemster is een kennelijk-onredelijkontslagprocedure (hierna: koo-procedure) begonnen. Geoordeeld is dat de opzegging kennelijk onredelijk is wegens het niet toepassen van het afspiegelingsbeginsel. Werkgever is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 5.000 en de proceskosten van € 2.245,93. Werkgever heeft niet aan de betalingsveroordeling voldaan en biedt geen verhaal. De klachtencommissie van het UWV heeft de klachten van werkneemster gegrond verklaard. In de onderhavige procedure vordert werkneemster dat voor recht wordt verklaard dat UWV onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat UWV wordt veroordeeld tot volledige vergoeding van advocaatkosten van € 20.965,78 die verband houden met en/of voortvloeien uit de koo-procedure.

De rechtbank oordeelt als volgt. Voorop wordt gesteld dat het UWV erkent dat de ontslagvergunning op grond van de destijds beschikbare informatie niet had kunnen worden verleend. Onrechtmatig handelen door het UWV is gegeven. De vraag is vervolgens of de normschending heeft geleid tot de door werkneemster gestelde schade. Het UWV betwist dat dit causaal verband bestaat. De rechtbank zal moeten beoordelen of de ontslagvergunning ook bij een zorgvuldig onderzoek zou zijn verleend. Dit is naar zijn aard een enigszins speculatieve beoordeling, omdat bedoeld onderzoek nu juist niet heeft plaatsgevonden. Het komt hierbij aan op wat het meest waarschijnlijke scenario zou zijn geweest. De getuigenverklaringen in de koo-procedure zaaien voldoende twijfel over het standpunt van werkgever dat werkneemster een unieke functie bekleedde. Aangenomen wordt dat het UWV bij onzorgvuldig handelen de ontslagvergunning niet zou hebben verleend. De volgende vraag is of de door werkneemster gestelde schade het gevolg is van het onterecht verlenen van de ontslagvergunning. Voorop gesteld wordt dat het condicio sine qua non-verband tussen de onterechte ontslagvergunning en de koo-procedure gegeven is. Zonder ontslagvergunning zou werkneemster niet zijn ontslagen en had zij geen koo-procedure kunnen voeren. Het UWV voert aan dat het voeren van een koo-procedure niet nodig was om het UWV te kunnen aanspreken en dat de koo-procedure ten overvloede is gevoerd. Daarmee miskent het UWV echter dat de koo-procedure een geëigende weg was voor werkneemster om de negatieve gevolgen van het ontslag (zo veel mogelijk) te beperken. Daarbij verdient opmerking dat werkneemster tegen de ontslagvergunning zelf niet in het geweer kon komen, nu daartegen geen rechtsmiddel openstaat. De schade die werkneemster door het voeren van de koo-procedure heeft geleden is toerekenbaar aan het UWV. Werkneemster heeft door het voeren van de koo-procedure meer kosten gemaakt en dus meer schade geleden dan het bedrag dat haar aan (forfaitaire) proceskostenvergoeding is toegewezen. Nu sprake is van een onrechtmatige daad, dient het UWV de volledige kosten te vergoeden. Wel moeten van de door werkneemster gevorderde kosten de proceskostenvergoeding worden afgetrokken die in de koo-procedure aan haar is toegewezen. Voor dat deel van de kosten heeft werkneemster een executoriale titel tegen werkgever en het feit dat werkgever die kosten niet betaalt, is niet toe te rekenen aan het UWV. Er wordt een schadevergoeding toegekend van € 18.719,85. Ook wordt de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten (€ 2.049,59) toegewezen.