Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 25 november 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:11984
werknemer/Blaauboer en Kossen B.V., tevens h.o.d.n. Dekkerautogroep Schagen
Werknemer was sinds 1 november 1986 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Blaauboer en Kossen B.V. (hierna: B&K), laatstelijk in de functie van Parts Manager en tegen een salaris van € 3.752 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. B&K heeft op 28 mei 2014 voor werknemer een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV op grond van bedrijfseconomische redenen. De ontslagvergunning is op 19 augustus 2014 verleend. B&K heeft de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd tegen 1 december 2014. Aan werknemer is een vergoeding van € 17.685 betaald. Werknemer vordert primair B&K te veroordelen tot herstel van de dienstbetrekking wegens de kennelijk onredelijke opzegging. Subsidiair vordert werknemer veroordeling van B&K tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van € 115.948,62 bruto wegens de kennelijk onredelijke opzegging. Daartoe stelt werknemer in de eerste plaats dat B&K het afspiegelingsbeginsel niet juist heeft toegepast. Ten onrechte is ervan uitgegaan dat de bedrijfsvestiging van B&K (handelend onder de naam Dekkerautogroep Schagen) als een zelfstandige bedrijfsvestiging van de Dekkerautogroep kan worden aangemerkt. Daarnaast is het ontslag volgens werknemer kennelijk onredelijk gelet op het gevolgencriterium.
De kantonrechter oordeelt als volgt. B&K is een eigen rechtspersoon met een eigen inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Samen met drie zustervennootschappen hangt B&K onder moedermaatschappij MB Dealer Beheer B.V., welke vennootschap begin 2014 in handen van de Dekkerautogroep is gekomen. B&K heeft een eigen bedrijfspand met een eigen RDW-nummer en een eigen handelsvoorraad. Daarnaast kent B&K net als iedere andere vestiging een eigen en zelfstandige financiële verslaglegging en wordt zij als zelfstandig onderdeel in de financiële rapportage van de Dekkerautogroep opgenomen. B&K heeft bovendien een eigen winst-en-verliesverantwoordelijkheid. Al deze (interne) kenmerken wijzen naar het oordeel van de kantonrechter op een apart opererende zelfstandige eenheid. Aan dit alles doet niet af dat er kennelijk tussen de vestigingen wordt samengewerkt als het gaat om het gebruik van een website, een centraal telefoon- en faxnummer, één postadres en het gebruik van hetzelfde briefpapier, waarbij overigens wel onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende vestigingen en elke vestiging ook een eigen rekeningnummer heeft. Bepalend is immers de feitelijke situatie op de vestiging van B&K en die vormt naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende aanwijzing voor het bestaan van een zelfstandige bedrijfsvestiging als bedoeld in het Ontslagbesluit. Het afspiegelingsbeginsel is dan ook op de juiste wijze toegepast.
Vervolgens dient beroordeeld te worden of de opzegging op basis van het gevolgencriterium kennelijk onredelijk is. In dat verband overweegt de kantonrechter als volgt. Aan de stelling van werknemer dat B&K bij hem verwachtingen heeft gewekt die maken dat hij ervan uit mocht gaan dat voor hem geen ontslag zou worden aangevraagd, gaat de kantonrechter voorbij. Hoewel de kantonrechter aanneemt dat het ontslag voor werknemer onverwacht kwam, is niet gebleken dat B&K op enig moment aan werknemer de concrete toezegging heeft gedaan dat er voor hem geen ontslagvergunning zou worden aangevraagd. Bovendien heeft te gelden dat vast staat dat de bedrijfseconomische situatie van het bedrijf noopte tot het treffen van maatregelen. Van bijkomende omstandigheden die maken dat het ontslag kennelijk onredelijk is, is niet gebleken. In dat verband acht de kantonrechter van belang dat B&K werknemer een vergoeding van € 17.962,56 heeft betaald. Dat werknemer gezien zijn leeftijd mogelijk minder kansen op de arbeidsmarkt heeft en hij daarnaast schade leidt omdat hij door zijn ontslag vervroegd aanspraak heeft moeten maken op zijn pensioen, zijn omstandigheden die niet tot een ander oordeel leiden. Alles overziend, is de kantonrechter van oordeel dat werknemer onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld welke grond zouden kunnen vormen voor het oordeel dat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met de belangen van B&K. Volgt afwijzing van de vorderingen van werknemer.