Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 maart 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:1788
werknemer/Schildersbedrijf De Graaf B.V.
Werknemer is vanaf 1967 achtereenvolgens werkzaam geweest in de navolgende functies bij genoemde werkgevers: van 1967 tot 1977 heeft hij als schilder gewerkt bij Langhout BV; van 1977 tot 1980 heeft hij als constructieschilder gewerkt bij Pepping Doom; van 1980 tot 1981 heeft hij als spuiter/straler gewerkt bij De Graaf; van 1981 tot 1996 heeft hij als spuiter/straler gewerkt bij Kuurman; van 1996 tot 1999 heeft hij als constructieschilder gewerkt bij Peiningen. Op 15 februari 1999 is werknemer (wederom) in dienst getreden bij De Graaf als fulltime schilder/spuiter van schepen. Hem zijn toen veiligheidsmiddelen ter beschikking gesteld. De werkzaamheden van werknemer bij De Graaf bestonden uit het zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde schoonmaken, ontvetten, schuren, voorbewerken, schilderen en spuiten van de schepen, die casco uit Roemenië kwamen. Met uitzondering van het schuren, kwamen bij alle werkzaamheden die werknemer bij De Graaf verrichtte oplosmiddelen vrij. Nadat de comparitie had plaatsgevonden, heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 24 april 2014 overwogen dat werknemer in de periode 2001/2002 meerdere malen en bij verschillende artsen te kennen heeft gegeven dat hij zelf zijn klachten aan OPS weet en doorverwezen wilde worden voor verder onderzoek, hetgeen ondanks toenemende klachten niet is gebeurd. Naar het oordeel van de kantonrechter was werknemer in 2001/2002 bekend met het aan OPS gerelateerde ziektebeeld en had hij binnen vijf jaar nogmaals om nader onderzoek moeten vragen, hetgeen redelijkerwijs binnen vijf jaar tot het daadwerkelijk instellen van een rechtsvordering of andere stuitingshandeling had kunnen leiden. Nu geen adequate verklaring is gegeven voor het stilzitten is de vordering volgens de kantonrechter verjaard.
Het hof oordeelt als volgt. Het enkele feit dat werknemer omstreeks 2000/2001 vermoedde dat zijn klachten konden samenhangen met zijn werk, houdt naar het oordeel van het hof niet in dat werknemer daadwerkelijk daarmee bekend was. Werknemer is immers op medisch gebied bepaald geen deskundige, terwijl de door hem geraadpleegde artsen de diagnose niet hebben gesteld, de keuringsartsen daar geen nader onderzoek naar hebben gedaan en uit hun rapporten ook volgt dat zij werknemer niet steunden in diens vermoeden dat sprake was van OPS, en werknemer tot 2008 evenmin is doorverwezen voor nader onderzoek naar deze beroepsziekte, hoewel hij daar wel om heeft gevraagd. Uit de aangehaalde stukken betreffende de afkeuring van werknemer volgt echter dat de bij de afkeuring betrokken verzekeringsgeneeskundigen juist onvoldoende grondslag aanwezig achtten voor de diagnose OPS. Overigens vermeldt de neuropsycholoog in haar brief ook dat werknemer benedengemiddeld scoorde op de afgenomen intelligentietest. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen op het moment waarop werknemer in 2009 bij het Solvent Team in Enschede bevestiging vond voor zijn vermoeden dat zijn klachten gerelateerd waren aan werk met oplosmiddelen.
Voor de toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, is nodig (a) dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook (b) dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Deze regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is, aldus de Hoge Raad. Bovendien geldt, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA8369), dat van De Graaf, als werkgever die op grond van artikel 7:658 lid 2 BW door een werknemer wordt aangesproken, in het kader van de motivering van de betwisting van de stellingen van werknemer mag worden gevergd dat zij in het algemeen de omstandigheden aangeeft die meer in haar sfeer dan in die van werknemer liggen. Dat werknemer in de relevante periode bij De Graaf heeft gewerkt met gevaarlijke stoffen staat, zoals de kantonrechter heeft vastgesteld, niet ter discussie. Volgens De Graaf is werknemer echter niet blootgesteld aan hoge concentraties gevaarlijke stoffen. Zij is sinds 1994 VCA-gecertificeerd en die certificering is in 1999 vernieuwd. Een belangrijk onderdeel van de certificering ziet op bescherming van werknemers en de veiligheid van de arbeidsomstandigheden. Nu de werknemers van De Graaf met gevaarlijke stoffen werkten en daaraan dus werden, of op zijn minst konden worden, blootgesteld, was De Graaf, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.10 is overwogen, gehouden in het kader van de RI&E onder meer in kaart te brengen met welke gevaarlijke stoffen werd gewerkt, onder welke omstandigheden werd gewerkt, hoe blootstelling kon plaatsvinden en wat het blootstellingsniveau was. De Graaf heeft geen RI&E in het geding gebracht. Zij heeft ook niet gesteld dat de hiervoor vermelde informatie in een RI&E is terug te vinden en wat daarover in de RI&E is vermeld. Ook heeft zij niet gesteld dat in het kader van de VCA-certificering de genoemde informatie (wel) is verzameld.
Verder staat ter discussie of de door werknemer gestelde klachten wel veroorzaakt kunnen worden door een blootstelling gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar. De Graaf heeft in dit verband gewezen op een deskundigenonderzoek dat is weergegeven in een arrest van het voormalige Gerechtshof Leeuwarden van 18 september 2012 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BX7965). Dat onderzoek is in opdracht van het hof verricht door een tweetal deskundigen en had een algemeen karakter, in die zin dat aan de deskundigen enkele algemene vragen over de (destijds) heersende wetenschappelijke opvattingen betreffende het ontstaan van OPS/CTE zijn voorgelegd. De deskundigen gaan in hun rapport ook in op het verband tussen piekblootstellingen en het ontstaan van CTE. In hun antwoord op vraag 3c hebben zij hun bevindingen samengevat. Die luiden als volgt: ‘De veronderstelling dat piekblootstelling het ontstaan van CTE zou kunnen bevorderen kan noch bewezen worden noch ontkend worden, al zijn er serieuze aanwijzingen voor een dergelijk effect. Een drempel voor effecten door piekblootstelling kan niet aangegeven worden. Opname van oplosmiddelen via de huid kan tot extra inwendige belasting leiden, maar dit blijft beperkt tot ca 10% extra t.o.v. de geïnhaleerde dosis.’ werknemer heeft niet aangevoerd dat deze bevindingen van de deskundigen, die ook in lijn zijn met het aangehaalde onderzoek van de Gezondheidsraad, onjuist zijn, zodat het hof vooralsnog van de juistheid van deze bevindingen uitgaat. Dat betekent dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de klachten van werknemer (kunnen) zijn veroorzaakt door de (piek)blootstelling gedurende zijn betrekkelijk korte dienstverband bij De Graaf. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte uitlating deskundigenbericht door beide partijen.