Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 29 maart 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:1188

werkgever/werknemer

Werknemer heeft voldoende bewezen dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden een rol papier (2500 kg) op zijn voet heeft gekregen en daardoor schade lijdt.

Werknemer (geboren 1960) is werkzaam bij een op- en overslagbedrijf, als controleur op de afdeling added value paper (hierna: AVP). In de AVP-ruimte worden geloste grote papierrollen, die bij het transport beschadigd zijn geraakt, ontdaan van een beschadigde papierlaag en vervolgens opnieuw verpakt. Op 24 november 2008 heeft werknemer een rol papier (2500 kg) tegen zijn voet gekregen. Een week later meldt hij zich met pijnklachten ziek. In 2009 stelt werknemer werkgever aansprakelijk voor de schade. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Werkgever grieft in hoger beroep tegen de bewezenverklaring.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat de werknemer die, zoals in het onderhavige geval, op grond van artikel 7:658 lid 2 BW schadevergoeding van zijn (voormalig) werkgever vordert, zal dienen te stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever. Daarbij geldt dat niet van de werknemer kan worden verlangd dat hij ook aantoont hoe het ongeval zich heeft toegedragen of wat de oorzaak ervan is (HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430, r.o. 3.4.1.). Werknemer heeft naast zichzelf als partijgetuige, een aantal collega’s, alsmede allerlei medische stukken in het geding gebracht, die zijn verhaal ondersteunen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Het zou dan aan werkgever als werkgever zijn om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om de schade te voorkomen (art. 7:658 lid 2 BW). Werkgever heeft echter geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij niet heeft gesteld te hebben voldaan aan haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW om te voorkomen dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, en evenmin tegen de overweging dat zij niet heeft aangetoond dat die schade in belangrijke mate het gevolg zou zijn van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Dit betekent dat in hoger beroep aan deze punten niet wordt toegekomen.