Naar boven ↑

Rechtspraak

X c.s./de Staat der Nederlanden
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 27 januari 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:3821

X c.s./de Staat der Nederlanden

De wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen en het ontbreken van overgangsrecht had via exceptieve toetsing aan de orde gesteld kunnen worden in een bestuursrechtelijke procedure, zodat er geen taak meer is weggelegd voor de civiele rechter om zich hierover uit te laten.

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) aan eiser een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst bij restaurant X’ verleend. Daaraan was de aantekening ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over tewerkstellingsvergunning’ gekoppeld. Op 20 december 2013 heeft eiser bij de IND een aanvraag ingediend tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning. Bij besluit van 18 februari 2014 heeft de IND de verblijfsvergunning van eiser verlengd tot 24 mei 2014. Aan die verlenging werd eveneens de voorwaarde van een tewerkstellingsvergunning voor de werkgever verbonden. Met ingang van 1 januari 2014 is de Wet arbeid vreemdelingen (WAV) gewijzigd. De herziening van de WAV heeft onmiddellijke werking. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Op 3 april 2015 heeft een V.O.F. (hierna: de V.O.F.) een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend ten behoeve van eiser. De IND heeft daarop een GVVA afgegeven. De GVVA is geldig van 12 mei 2015 tot 12 mei 2016. Tegen de afgifte van de GVVA is door eiser noch door de V.O.F. bezwaar gemaakt. De V.O.F. vordert de Staat te gebieden de per 1 januari 2014 gewijzigde artikelen 4 en 11 van de WAV buiten werking te stellen en de artikelen 4 en 11 van de WAV zoals die luidden tot 1 januari 2014 toe te passen. De V.O.F. voert daartoe onder meer aan dat de Staat onrechtmatig jegens koks en Aziatische restaurants handelt door bij de wijziging van de WAV op 1 januari 2014 geen overgangsrecht vast te stellen voor arbeidsmigranten die vóór 1 januari 2014 op grond van een tewerkstellingsvergunning en verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verbleven. Voor eiser heeft dit tot gevolg dat zijn aanvragen om verlenging van zijn verblijfsvergunning zijn beoordeeld volgens de gewijzigde WAV. Hierdoor is aan hem geen verblijfsvergunning afgegeven met de aantekening ‘arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist’ en is er een verblijfsgat ontstaan tussen 24 mei 2014 en 12 mei 2015.

De rechtbank oordeelt als volgt. De Staat heeft primair betoogd dat de V.O.F. niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Daartoe heeft hij kortgezegd aangevoerd dat de V.O.F. de wijziging van de WAV en het ontbreken van overgangsrecht via exceptieve toetsing aan de orde had kunnen stellen in een bestuursrechtelijke procedure. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit verweer. Een doelmatige taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter brengt - mede met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige rechterlijke uitspraken - mee dat in het geval bij de daartoe bij uitstek aangewezen rechter in een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang de verbindendheid van de WAV aan de orde kon worden gesteld - zoals in dit geval -, er geen taak meer is weggelegd voor de civiele rechter om zich over die vraag uit te laten (zie in dit verband bijv. het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9556 en meer recent het arrest van 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296). Alle argumenten die de V.O.F. in de onderhavige procedure naar voren heeft gebracht, zijn (overigens) ook aan de orde geweest in bestuursrechtelijke procedures (vgl. ECLI:NL:RBDHA:2015:9481 en ECLI:NL:RBDHA:2014:11857). Gelet op het voorgaande zal de V.O.F. niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van de V.O.F. tegen de herziening van de WAV.