Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 12 april 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:856
werknemer/Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Delfland
Werknemer is op 19 augustus 2008 in dienst getreden bij GGZ Delfland. Bij brief van 27 april 2011 is werknemer op staande voet ontslagen wegens fraude. In de procedure met rolnummer 1069232 CV EXPL 11-38154 heeft werknemer onder meer gevorderd dat GGZ Delfland zal worden veroordeeld tot doorbetaling van loon. De kantonrechter heeft werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot loondoorbetaling. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 11 augustus 2014 met rolnummer 1168211 CV EXPL 12-33447 overwogen dat het vonnis in de procedure met rolnummer 1069232 CV EXPL 11-38154 zal worden aangehecht en dat de overwegingen uit dat vonnis moeten worden beschouwd als herhaald en ingelast. Werknemer heeft in onderhavige zaak in incident gevorderd dat GGZ Delfland hem inzage zal verlenen in zijn zakelijke e-mailaccount bij GGZ Delfland. Werknemer heeft daartoe aangevoerd dat X verschillende e-mailberichten uit hun verband heeft gerukt. GGZ Delfland heeft de incidentele vordering weersproken. Zij voert aan dat werknemer niet in appel is gekomen tegen het vonnis van 11 augustus 2014 in de procedure met rolnummer 1069232 CV EXPL 11-38154 en dat dat vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen. GGZ beroept zich op het gezag van gewijsde van hetgeen in dat vonnis is overwogen en beslist. Volgens GGZ Delfland heeft werknemer daarom geen belang bij zijn incidentele vordering.
Het hof overweegt als volgt. Uit de appeldagvaarding van 6 november 2014 blijkt dat werknemer uitsluitend hoger beroep heeft ingesteld tegen de vonnissen met de rolnummers 402458 en 1168211. Werknemer heeft met die appeldagvaarding niet geappelleerd tegen het vonnis met rolnummer 1069232 CV EXPL 11-38154. Werknemer zal in de gelegenheid worden gesteld te reageren op de stelling van GGZ Delfland dat het laatstgenoemd vonnis gezag van gewijsde heeft gekregen tussen werknemer en GGZ Delfland, zodat werknemer niet meer kan opkomen tegen de eindbeslissingen in dat vonnis. Het hof overweegt nu reeds dat de enkele omstandigheid dat de kantonrechter het vonnis met rolnummer 1069232 CV EXPL 11-38154 aan het vonnis met rolnummer 1168211 heeft gehecht en in dat laatste vonnis de overwegingen uit het aangehechte vonnis beschouwd als herhaald en ingelast, onvoldoende is om te concluderen dat GGZ Delfland zich niet zou kunnen beroepen op het gezag van gewijsde van het aangehechte vonnis. Voorts wordt werknemer in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten welk belang hij heeft bij zijn incidentele vordering voor het geval wordt geoordeeld dat het vonnis in de procedure met rolnummer 1069232 CV EXPL 11-38154 ten opzichte van hem gezag van gewijsde heeft gekregen. Immers, indien moet worden aangenomen dat het vonnis gezag van gewijsde heeft, zou dit tot gevolg kunnen hebben dat tussen partijen vaststaat dat - kort gezegd - werknemer heeft gefraudeerd en daarom terecht door GGZ Delfland is ontslagen. De conclusie van vorenstaande is dat de zaak naar de rol zal worden verwezen voor een akte aan de zijde van werknemer.