Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 5 april 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:901
werknemer/werkgever
Werknemer is op 6 mei 2013 in dienst getreden bij werkgever. Werkgever bouwde voor het Aasta Hansteen-project, in onderaanneming voor CB&I, het Living Quarter. De tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst bevatte een geheimhoudings- en concurrentiebeding. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst met werkgever opgezegd en is per 1 juli 2014 bij werkgever uit dienst getreden. Op 28 mei 2014 heeft werknemer een arbeidsovereenkomst ondertekend met Lutech Resources BV (hierna: Lutech), een dochter van CB&I. Werkgever vorderde in eerste aanleg onder meer veroordeling van werknemer tot nakoming van het concurrentiebeding en het geheimhoudingsbeding, alsmede veroordeling van werknemer tot betaling van de op grond van de arbeidsovereenkomst met werkgever verschuldigde boete wegens overtreding van het concurrentiebeding. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkgever toegewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Werknemer stelt dat de zeer algemene beschrijving van het concurrentiebeding alsook de onredelijke beperking van het geografisch gebied tot Nederland, ertoe leidt dat het non-concurrentiebeding te beperkend is en niet rechtsgeldig is, althans in het onderhavige geval niet aan werknemer kan worden tegengeworpen. Deze stelling wordt verworpen. Het concurrentiebeding dat partijen zijn aangegaan voldoet aan de vereisten die artikel 7:653 lid 1 (oud) BW stelt voor het rechtsgeldig tot stand komen van een concurrentiebeding. Lutech/CB&I is daarnaast een bedrijf dat gelijksoortig is aan werkgever en is dus een concurrent van werkgever in de zin van het concurrentiebeding. Uit de wijze waarop partijen zich presenteren (via hun websites en door de inschrijving in het handelsregister) komt naar voren dat beide bedrijven modules ontwerpen die toegepast worden in of bij installaties in de olie- en gasindustrie. Het enkele feit dat beide partijen werkzaam waren op het Aasta Hansteen-project, wijst daar ook op. Dat de werkzaamheden die Lutech verricht niet een op een samenvallen met de werkzaamheden die werkgever gewoonlijk pleegt te verrichten en dat werknemer binnen Lutech in een andere functie is gaan werken dan bij werkgever, doet aan het oordeel dat Lutech en werkgever gelijksoortige bedrijven zijn, niet af. Werknemer wordt bovendien niet onbillijk benadeeld door het concurrentiebeding. Het belang van werkgever bestaat erin dat de kennis en informatie over een bepaald project waar zij aan werkt, niet via werknemer bij een concurrerende relatie als Lutech/CB&I bekend wordt. Dit spreekt temeer nu werknemer op het project Aasta Hansteen is blijven werken, zij het vanaf 1 juli 2014 in dienst van Lutech. Het belang van werknemer is ondergeschikt aan voormeld belang dat werkgever heeft bij handhaving van het geding. Het moge zo zijn dat werknemer bij Lutech meer kon verdienen dan bij werkgever, maar daarbij moet bedacht worden dat de arbeidsovereenkomst die werknemer met Lutech gesloten heeft voor maximaal een jaar was. Het inruilen van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd is niet direct als een positieverbetering te beschouwen. Uit vorenstaande kan worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat werknemer het concurrentiebeding heeft overtreden en op die grond krachtens artikel 10 van het arbeidscontract boete verschuldigd is. De vordering ter zake van boetes wordt echter afgewezen. Het spoedeisende karakter van de vordering ter zake, is namelijk gesteld noch gebleken. Volgt vernietiging van het bestreden vonnis, doch enkel daar waar de kantonrechter werknemer heeft veroordeeld tot betaling van de verschuldigde boete.