Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/BNI Installaties B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 19 april 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:2892

werknemer/BNI Installaties B.V.

Arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege wegens stoppen met opleiding. Rechtsgeldige ontbindende voorwaarde.

Op 17 november 2014 is werknemer bij BNI Installaties in dienst getreden in de functie van leerling-monteur. In de arbeidsovereenkomst van werknemer staat dat dit contract onlosmakelijk verbonden is met een leerovereenkomst. Op 24 november 2014 heeft werknemer een leerovereenkomst met het Horizon College, Stichting ROC en BNI Installaties gesloten voor de opleiding Installeren. Op 8 oktober 2015 heeft het ROC werknemer uitgeschreven van de opleiding. Op 4 november 2015 heeft werknemer zich ziek gemeld vanwege letsel aan zijn schouder. Op 30 november 2015 heeft BNI Installaties de arbeidsovereenkomst per direct beëindigd. Thans verzoekt werknemer primair de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen. Subsidiair verzoekt werknemer een billijke vergoeding. BNI Installaties voert gemotiveerd verweer.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is in geschil of de arbeidsovereenkomst op 30 november 2015 van rechtswege is geëindigd. In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt indien de leerovereenkomst wordt beëindigd. Deze bepaling maakt de duur van de arbeidsovereenkomst afhankelijk van een onzekere gebeurtenis, het beëindigen van de leerovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat deze bepaling als een ontbindende voorwaarde moet worden gezien. Een dergelijke voorwaarde is in beginsel rechtsgeldig, aangezien de vervulling ervan niet door de werkgever is te beïnvloeden. Naar het oordeel van de kantonrechter is van het stoppen met de opleiding in de zin van artikel 2 van de arbeidsovereenkomst pas sprake wanneer de leerling definitief stopt met de opleiding, of omdat hij daartoe zelf besluit of omdat de school hem uitsluit van de opleiding. Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer zelf heeft besloten te stoppen met de opleiding. Werknemer heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst na het stopzetten van de opleiding niet inhoudsloos is geworden. BNI Installaties heeft gemotiveerd uiteengezet dat geen ongediplomeerde monteurs bij haar werkzaam zijn, behalve de monteurs die een opleiding volgen. Werknemer heeft daartegenover gesteld dat de heer A zonder diploma werkt. BNI Installaties heeft gemotiveerd toegelicht dat A zijn opleiding met toestemming van de werkgever wegens privéomstandigheden enige tijd heeft onderbroken, maar dat hij inmiddels zijn opleiding weer heeft opgepakt. Gelet hierop heeft BNI Installaties voldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen ongediplomeerde monteurs in dienst heeft. Vast staat dat het gesprek op 30 november 2015 ten doel had de re-integratiemogelijkheden van werknemer te onderzoeken. BNI Installaties heeft in dat kader gevraagd naar de opleiding van werknemer, omdat kantoormedewerkers niveau 4 dienen te bezitten, aangezien BNI Installaties stelt dat voor het kunnen opstellen van offertes en het plaatsen van bestellingen een zeker kennisniveau noodzakelijk is. Werknemer heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dit leidt ertoe dat nu werknemer is gestopt met de opleiding, BNI Installaties voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen mogelijkheden had werknemer elders te werk te stellen. Immers, werknemer kon monteurswerkzaamheden niet verrichten vanwege letsel aan zijn schouder en kantoorwerkzaamheden niet doen vanwege onvoldoende kennis. De kantonrechter is daarom van oordeel dat door het beëindigen van de opleiding de mogelijkheid om werkzaamheden te verrichten bij BNI Installaties is komen te vervallen en dat daarmee de arbeidsovereenkomst inhoudsloos is geworden. Aan de stelling van werknemer dat BNI Installaties in ieder geval vanaf begin mei 2015 op de hoogte was van het feit dat hij gestopt was met de opleiding, gaat de kantonrechter voorbij. Naar het oordeel van de kantonrechter valt uit de overgelegde correspondentie af te leiden dat BNI Installaties daarvan tot aan het gesprek van 30 november 2015 niet op de hoogte was. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen komt de kantonrechter tot het oordeel dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst op grond van artikel 2 van die overeenkomst van rechtswege is geëindigd op 30 november 2015. Het primaire verzoek zal daarom worden afgewezen. Op grond van het voorgaande zal ook de subsidiair gevorderde billijke vergoeding worden afgewezen.