Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 1 oktober 2015
ECLI:EU:C:2015:643
O/Bio Philippe Auguste SARL
Op grond van de Franse wetgeving komt een werknemer 10% transitievergoeding toe van zijn totale brutoloon bij einde dienstverband. Deze transitievergoeding is niet verschuldigd wanneer de overeenkomst is gesloten met een jongere voor een tijdvak dat binnen zijn school- of universitaire vakantie valt. Op 21 december 2010 is verzoeker in het hoofdgeding, toen hij student was, in dienst getreden bij Bio Philippe Auguste SARL op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die was gesloten voor het binnen zijn universitaire vakantie vallende tijdvak van 21 december tot en met 24 december 2010. Bij het einde van zijn overeenkomst is hem de transitievergoeding ingevolge artikel L. 1243‑10, 2°, van het arbeidswetboek, geweigerd. De student is het hiermee niet eens en vordert betaling van € 23,21. De Franse rechter vraagt aan het Hof: Staat het algemene beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd in de weg aan een nationale regeling (art. L. 1243‑10 van het arbeidswetboek) die jongeren die tijdens hun school- of universitaire vakantie werken, uitsluit van het recht op een transitievergoeding die verschuldigd is wanneer na een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangeboden?
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Zoals de Franse regering betoogt, wordt werk dat op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt uitgeoefend door een leerling of door een student tijdens zijn school- of universitaire vakantie, naar de aard ervan gekenmerkt door de tijdelijke en ook bijkomstige aard ervan, omdat deze leerling of student zijn opleiding aan het einde van deze vakantie moet voortzetten. Hieruit volgt dat de wetgever met de overweging dat de situatie van jongeren die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben gesloten voor een tijdvak dat binnen hun school- of universitaire vakantie valt, niet kan worden vergeleken met die van andere categorieën werknemers die in aanmerking komen voor de transitievergoeding, de grenzen van zijn beoordelingsmarge op het gebied van sociale politiek geenszins heeft overschreden. Deze conclusie wordt overigens gestaafd door de omstandigheid dat ook andere categorieën werknemers, die zich ten aanzien van de onzekerheid in de zin van artikel L. 1243‑8, eerste alinea, van het arbeidswetboek in situaties bevinden die vergelijkbaar zijn met die van verzoeker in het hoofdgeding, door artikel L. 1243‑10 van dat wetboek zijn uitgesloten van het recht op deze vergoeding. Dit is met name het geval voor werknemers die in dienst zijn genomen op grond van artikel L. 1242‑2, 1°, van dat wetboek om, onder de in deze bepaling bedoelde omstandigheden, andere werknemers te vervangen, of ook voor werknemers die in dienst zijn genomen op grond van artikel L. 1242‑2, 3°, van ditzelfde wetboek ‘om seizoensarbeid te verrichten, of arbeid in sommige, bij besluit of bij algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst bepaalde sectoren waarin het een vaste gewoonte is geen gebruik te maken van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanwege de aard van de verrichte activiteit en de inherente tijdelijkheid van deze arbeid’. Uit het voorgaande vloeit voort dat een student, zoals verzoeker in het hoofdgeding, die in dienst is genomen op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor een tijdvak dat binnen zijn universitaire vakantie valt, zich in het licht van het door artikel L. 1243‑8, eerste alinea, van het arbeidswetboek nagestreefde doel, niet in een situatie bevindt die objectief vergelijkbaar is met die van werknemers die, overeenkomstig deze bepaling, recht hebben op de transitievergoeding. Het verschil in behandeling tussen deze twee categorieën werknemers kan derhalve geen discriminatie op grond van leeftijd vormen. Op de gestelde vraag moet derhalve worden geantwoord dat het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, dat is neergelegd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en nader is uitgewerkt in Richtlijn 2000/78, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling zoals die aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan een transitievergoeding die bij het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, als aanvulling op het salaris, wordt uitgekeerd wanneer de contractuele arbeidsverhoudingen niet worden voortgezet met een overeenkomst voor onbepaalde tijd, niet verschuldigd is wanneer de overeenkomst is gesloten met een jongere voor een tijdvak dat binnen zijn school- of universitaire vakantie valt.