Rechtspraak
werkneemster/werkgeefster
Werkneemster is in dienst van een deurwaarderkantoor als algemeen medewerker. Zij en de directeur hebben een affectieve relatie gehad waaraan begin maart 2013 een einde is gekomen. Op 27 mei 2013 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Op 20 juni 2013 heeft het UWV toestemming verleend de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Op 17 juni 2013 heeft werkneemster een ontbindingsverzoek ingediend. In reconventie heeft werkgeefster om voorwaardelijke ontbinding verzocht. De arbeidsovereenkomst is door werkgeefster op 26 juni 2013 opgezegd tegen 1 juli 2013. Niettemin heeft werkgeefster de maanden juli en augustus 2013 loon betaald. Op 31 juli 2013 heeft de kantonrechter werkneemster niet-ontvankelijk verklaard en het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek van werkgeefster toegewezen onder toekenning van een vergoeding van € 26.200 bruto aan werkneemster. Werkneemster beroept zich op het opzegverbod tijdens ziekte en de vernietigbaarheid van het ontslag (art. 7:677 lid 5 BW). Voorts heeft zij aangevoerd dat werkgeefster misbruik heeft gemaakt van recht en/of bevoegdheid. Werkgeefster heeft het dienstverband (onregelmatig) opgezegd toen het verzoekschrift tot ontbinding reeds door werkneemster was ingediend. Werkgeefster heeft dat bewust gedaan om zo de behandeling van het verzoek van werkneemster te frustreren.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De eerst bij dagvaarding van 29 september 2015 ingestelde vordering is verjaard voor zover deze ziet op het opzegverbod tijdens ziekte. Weliswaar heeft werkneemster tijdig de vernietigbaarheid ingeroepen op de voet van artikel 7:677 lid 5 BW, maar zij heeft verzuimd ter zake ingevolge artikel 7:683 lid 2 BW na verloop van zes maanden een rechtsvordering in te stellen, terwijl van enige stuitingshandeling van die verjaringstermijn niet is gebleken. De vordering uit hoofde van misbruik van recht en/of bevoegdheid is niet verjaard. Aangesloten wordt bij de verjaringstermijn van drie jaar als bedoeld in artikel 3:52 BW. Tussen partijen is in confesso dat werkgeefster de wettelijke opzegtermijn van twee maanden niet heeft gehanteerd toen zij werkneemster op 26 juni 2013 tegen 1 juli 2013 ontsloeg. Voorts is van een vergissing geen sprake, nu werkgeefster heeft gesteld bewust voor de onderhavige opzegging te hebben gekozen. Om te beginnen heeft werkgeefster aangevoerd dat de door haar gekozen vorm voor haar goedkoper uitviel dan wanneer zij het bedongen loon over de opzegtermijn op reguliere wijze zou hebben voldaan omdat zij minder werkgeverslasten zou hebben te voldoen. Zulks is evenwel alleen mogelijk als de twee maandlonen worden bestempeld als vergoeding en niet als loon. Die constructie is niet alleen in fiscaal opzicht discutabel, maar kan ook werkneemster schaden in haar WW-aanspraken. De stelling dat vanwege een potentiële fusiepartner duidelijk moest worden dat de juridische banden met werkneemster waren doorgesneden wordt niet gevolgd. Ook het argument dat werkneemster tot last was door met enige regelmaat op kantoor te komen en incidenten te veroorzaken overtuigt de kantonrechter niet. Het stond werkgeefster niet vrij om gebruik te maken van haar bevoegdheid om op te zeggen op de door haar gehanteerde wijze. Door dat wel te doen heeft zij misbruik gemaakt van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW. De opzegging van 26 juni 2013 dient zonder rechtsgevolgen te blijven. Dit betekent dat de in het dictum van de ontbindingsbeschikking op het voorwaardelijk verzoek in reconventie genoemde voorwaarde – voor het geval de arbeidsovereenkomst nog mocht blijken te bestaan – is ingetreden, zodat werkneemster aanspraak kan maken op de aan haar toegekende vergoeding (€ 26.200 bruto).