Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer is op 1 september 1999 voor onbepaalde tijd bij werkgever in dienst getreden. Eind augustus 2015 heeft werknemer een salarisafrekening van werkgever gekregen waarop is vermeld: datum uit dienst 09-08-2015. Bij brief van 24 september aan werkgever heeft werknemer betwist dat zijn dienstverband was geëindigd. Bij brief van 5 oktober 2015 heeft werkgever hierop gereageerd dat het dienstverband inderdaad nog niet is beëindigd. Op de jaaropgaaf 2015 wordt eveneens vermeld dat de datum van uitdiensttreding 9 augustus 2015 is. Werknemer vordert primair voor recht te verklaren dat werkgever het dienstverband tegen 9 augustus 2015 heeft opgezegd. Werknemer vordert voorts dat werkgever wordt veroordeeld om aan werknemer een transitievergoeding, alsmede een billijke vergoeding te betalen. De kantonrechter heeft deze vorderingen van werknemer afgewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep. In hoger beroep vordert werknemer subsidiair, naast de zojuist genoemde vorderingen, de arbeidsovereenkomst tussen partijen op korte termijn te ontbinden onder toekenning van een billijke vergoeding.
Het hof oordeelt als volgt. Kernpunt is de vraag of werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Opzegging is een eenzijdige wilsuiting, gericht op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, die de wederpartij moet hebben bereikt. Het enkel toezenden van een salarisstrook met daarop de vermelding Datum uit dienst, gevolgd door een datum, is niet als een dergelijke wilsuiting te beschouwen. Dat werkgever ook niet de intentie had de arbeidsovereenkomst op te zeggen, blijkt uit haar brief van 5 oktober 2015 aan werknemer en uit het verweer dat zij in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gevoerd. Voor zover werknemer onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 3:35 BW zou willen betogen dat werkgever geen beroep kan doen op het ontbreken van de wil om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, gaat dit betoog niet op. Werknemer heeft er niet gerechtvaardigd op vertrouwd dat het wel om een opzegging ging. In de brief van 24 september 2015 aan werkgever staat immers uitdrukkelijk dat er ‘geen opzegging (heeft) plaatsgevonden’. Werknemer geeft hiermee aan dat hij het toezenden van de salarisafrekening met daarop de hiervoor aangehaalde woorden destijds niet heeft opgevat als een verklaring, gericht op het beëindigen van het dienstverband. Werknemer heeft in hoger beroep subsidiair verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het hof acht deze vermeerdering van het verzoek toelaatbaar. Nu uit het verzoek van werknemer blijkt dat hij niet langer bij werkgever in dienst wenst te blijven en werkgever zich refereert, is sprake van een omstandigheid die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve binnen korte tijd dient te eindigen. Het verzoek tot ontbinding is dan ook toewijsbaar. Nu bij het bepalen van de ontbindingsdatum in geval van een ontbindingsverzoek van de werknemer geen rekening gehouden hoeft te worden met een opzegtermijn, is het hof voornemens de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 juli 2016. Anders dan werknemer evenwel stelt, vloeit uit de omstandigheid dat op de aan werknemer toegezonden salarisstrook van de maand augustus 2015 de woorden: ‘Datum uit dienst 09-08-2015’ staan vermeld, niet voort dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dit betekent dat het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding zal worden afgewezen. Het verzoek om werkgever te veroordelen de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW te voldoen, is om dezelfde reden niet toewijsbaar, zoals volgt uit artikel 7:673 lid 1 aanhef en onderdeel b onder 2 BW.