Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Eiffel BV
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 juni 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:3756

werkneemster/Eiffel BV

Schorsing van het concurrentiebeding. Het belang van werkneemster op een vrije arbeidskeuze prevaleert boven het belang van werkgever op handhaving van het concurrentiebeding.

Werkneemster is op 28 april 2014 bij Eiffel in dienst getreden als Junior Professional. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Werkneemster is gedurende vrijwel het volledige dienstverband met Eiffel tewerkgesteld bij het AMC en VUMC. Werkneemster heeft op 24 maart 2016 het dienstverband met Eiffel opgezegd tegen 1 mei 2016. Vossius heeft werkneemster met ingang van 1 juni 2016 een dienstverband aangeboden voor de duur van zes maanden, tegen een salaris van € 3.300 bruto. Vossius biedt ondersteuning op ICT-gebied, exclusief gericht op de zorg en zet daarvoor onder meer consultants in. Bij brieven van 26 april 2016 heeft Eiffel werkneemster gesommeerd om niet bij Vossius in dienst te treden en Vossius om zich te onthouden van onrechtmatig handelen. Thans vordert werkneemster primair schorsing van het concurrentiebeding en subsidiair betaling van een billijke vergoeding o.g.v. artikel 7:653 lid 5 BW.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat tussen Eiffel en werkneemster rechtsgeldig een concurrentiebeding tot stand is gekomen. Het beding is niet komen te vervallen en de inhoud van het beding is duidelijk. In beginsel is werkneemster derhalve aan het beding gebonden. Vervolgens dient te worden beoordeeld of voorshands voldoende aannemelijk is dat Vossius moet worden aangemerkt als concurrent van Eiffel. Uit de wederzijdse stellingen van partijen kan worden afgeleid dat beide ondernemingen zich richten op dezelfde branche, te weten de bemiddeling/plaatsing van professionals in de zorg. Vossius is als bedrijf weliswaar geringer in omvang, maar onbetwist is gebleven dat de unit zorg van Eiffel qua omvang vergelijkbaar is met Vossius. Onder deze omstandigheden wordt Vossius voorshands geacht een concurrent van Eiffel te zijn. Nu het concurrentiebeding geldt en Vossius als concurrent van Eiffel moet worden aangemerkt, ligt de vraag voor of na afweging van de wederzijdse belangen het concurrentiebeding voor schorsing in aanmerking komt. In dat verband dient te worden beoordeeld of Eiffel werkneemster in redelijkheid aan het concurrentiebeding kan houden. Daarbij dient het belang van Eiffel op de bescherming van haar bedrijfsdebiet te worden afgezet tegen het belang van werkneemster om zich vrij te kunnen bewegen op de arbeidsmarkt en zich verder te ontwikkelen. Werkneemster heeft ter zitting toegelicht dat zij de coördinerende rol die zij bij Eiffel had wenst te verruilen voor een meer inhoudelijke rol in het zogeheten functioneel applicatiebeheer bij Vossius, waarbij zij bovendien kan kwalificeren voor het Epic-certificaat. Deze inhoudelijke ontwikkeling van werkneemster kan worden aangemerkt als een positieverbetering, los van de vraag of de daarmee gepaard gaande salarisverhoging voldoende substantieel is, hetgeen volgens de kantonrechter overigens wel zo is, en los van het feit dat werkneemster bij Vossius (eerst) een overeenkomst voor bepaalde tijd krijgt aangeboden. Daartegenover heeft Eiffel benadrukt dat zij aanzienlijk in de opleiding van werkneemster heeft geïnvesteerd, welke investeringen na de overstap van werkneemster door Vossius zullen kunnen worden uitgebaat. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zijn die interne opleidingen, veelal genoten in de avonduren, relatief beperkt van omvang c.q. kosten en daarmee niet zodanig dat daarom het concurrentiebeding gehandhaafd dient te blijven, hoezeer het ook te prijzen is dat de medewerkers van Eiffel op deze wijze worden opgeleid. Verder zijn door Eiffel geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat werkneemster beschikt over specifieke bedrijfsmatige kennis, als tarieven of andere bedrijfsmatige gegevens, waarmee Vossius een ongerechtvaardigd voordeel zou verkrijgen bij indiensttreding van werkneemster op korte termijn. Voorts heeft Vossius ter zitting uitdrukkelijk bevestigd dat werkneemster niet bij AMC en/of VUMC wordt geplaatst, en daarom is de verwachting gewettigd dat de bodemrechter het belang van werkneemster op een vrije arbeidskeuze zal laten prevaleren boven het belang van Eiffel op handhaving van het concurrentiebeding. Daarop vooruitlopend zal de kantonrechter het concurrentiebeding van werkneemster schorsen, behoudens ten aanzien van AMC of VUMC. Nu de primaire vordering wordt toegewezen, behoeft de subsidiaire vordering geen bespreking meer.