Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 11 mei 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:3924
werknemer/Coöperatieve Rabobank West Friesland U.A.
Onderhavige zaak betreft de nakoming van een volgens de werknemer uit een sociaal plan voortvloeiende financiële verplichting (werknemer heeft een verzoekschrift ingediend). Een dergelijke zaak wordt in beginsel met het uitbrengen van een dagvaarding aanhangig gemaakt, nu een wettelijke bepaling die indiening van een verzoekschrift voorschrijft, niet voorhanden is. Weliswaar behelst artikel 7:686a lid 3 BW sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid een uitzondering op het voorgaande, maar dan slechts voor die situatie dat (behoudens onderhavig geding) tussen partijen al een geding aanhangig is dat is gebaseerd op het bij of krachtens afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 BW bepaalde, welke afdeling handelt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Een dergelijk geding is tussen partijen niet aanhangig. Aan het voorgaande doet niet af dat de uit het sociaal plan eventueel voorvloeiende verplichting ziet op het toekennen van een beëindigingsvergoeding na beëindigen van het dienstverband. De omstandigheid dat het verzoekschrift als aanhef vermeldt: ‘Verzoekschrift ex artikel 7:682 BW’ doet evenmin af aan het voorgaande, nu uit de in het verzoekschrift gegeven toelichting blijkt dat onderhavige zaak niet om toepassing van dit wetsartikel draait. De kantonrechter zal de werknemer op de voet van artikel 69 lid 3 Rv bevelen dat het geding in de stand waarin zich het bevindt wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure.