Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 28 juni 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:5221
Vaassen Flexible Packaging B.V./werknemer
VFP drijft een onderneming die zich bezighoudt met de productie van flexibele verpakkingsmaterialen, voornamelijk bestaande uit aluminiumfolie, papier en plastic films. Werknemer is op 1 september 2000 bij VFP in dienst getreden als operator Unit 2. In de productieafdeling bevindt zich een speciale verzamelbak met daarin rollen aluminiumfolie die om uiteenlopende redenen tijdens of na het productieproces zijn afgelegd. Deze rollen worden doorverkocht door VFP en het restant gaat naar een afvalverwerker die daar een vergoeding voor betaalt. Op 12 juli 2015 heeft werknemer rollen aluminiumfolie uit de speciale verzamelbak genomen en deze in zijn kast op het werk gestopt. Nadien is hij op vakantie gegaan. Toen werknemer terugkwam van vakantie heeft hij de rollen meegenomen zonder daarvoor een zogeheten passeerbon te vragen of toestemming aan zijn leidinggevende. Op 25 augustus 2015 is werknemer op staande voet ontslagen. In eerste aanleg heeft de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigd. Thans verzoekt VFP in hoger beroep de beschikking te vernietigen en de verzoeken van werknemer alsnog af te wijzen.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof zal in dit geval eerst beoordelen of het ontslag op staande voet onverwijld is geschied. VFP heeft onder andere het volgende aangevoerd: ‘(…) VFP was omstreeks april 2015 getipt dat vier werknemers van VFP zich schuldig maakten aan het stelselmatig verkopen van rollen aluminiumfolie aan een Turkse groothandel. VFP heeft daarop zelf waargenomen dat op de website van de betreffende groothandel rollen aluminiumfolie te koop werden aangeboden die verdacht veel leken op de rollen die VFP produceerde. Voor VFP was voorgaande reden een onderzoek te starten, onder meer door in haar bedrijf bij de bak waarin afgelegde rollen aluminiumfolie werden verzameld, een camera te plaatsen. Toen in augustus 2015 de door de camera gemaakte filmbeelden werden bekeken, kwamen meerdere mogelijke daders in beeld, waaronder werknemer en een collega van werknemer. Zichtbaar was dat werknemer op 12 juli 2015 omstreeks kwart voor tien ’s avonds aluminiumfolie wegnam. (…) Zowel werknemer als de collega zijn vervolgens door VFP op staande voet ontslagen.’ VFP heeft niet toegelicht waarom zij, terwijl haar directeur al op 13 augustus 2015 bekend was met de camerabeelden, tot 25 augustus 2015 heeft gewacht alvorens werknemer te horen. Werknemer was immers al op 17 augustus 2015 terug van vakantie. Gesteld noch gebleken is dat VFP na het telefonisch overleg met haar advocaat op 13 augustus 2015 nog nader onderzoek heeft verricht waarvoor zij een periode van bijna veertien dagen nodig had. VFP heeft aangevoerd dat zij in haar administratie is nagegaan of werknemer over een zogenaamde passeerbon beschikte, dat zij heeft geconstateerd dat deze bon in haar administratie ontbrak en dat zij werknemer (ook) hierover wilde horen. Voor zover VFP er al niet op of omstreeks 13 augustus 2015 mee bekend was dat de passeerbon in haar administratie ontbrak, kan zonder nadere toelichting van VFP, die ontbreekt, niet worden aangenomen dat VFP na 13 augustus 2015 nog bijna veertien dagen nodig had om én in haar administratie na te gaan of de passeerbon aanwezig was én werknemer bij het ontbreken van die bon daarmee te confronteren in een gesprek. Het hof gaat voorbij aan de stellingen van VFP dat ten tijde van het zien van de camerabeelden de verdenking jegens werknemer niet zodanig was dat dit tot een ontslag op staande voet zou moeten leiden en dat deze verdenking pas gegrond was tijdens het gesprek op 25 augustus 2015. Op grond van het onredelijk lange tijdsverloop tussen 13 augustus 2015 en 25 augustus 2015, is het hof van oordeel dat het door VFP gegeven ontslag op staande voet niet onverwijld is geschied. De grieven 2 en 3 behoeven wegens gebrek aan belang niet meer te worden behandeld. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter terecht het verzoek van werknemer tot vernietiging van de opzegging heeft toegewezen, met dien verstande dat het hof op andere gronden tot eenzelfde oordeel komt. Het hoger beroep van VFP dient dan ook te worden verworpen.