Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Total Cleaning Aruba
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 21 juni 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:1750

werknemer/Total Cleaning Aruba

Ontslag op staande voet onterecht. Het had op de weg van werkgever gelegen om, alvorens werknemer op staande voet te ontslaan, hem eerst op een voldoende duidelijke wijze te waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van een werkweigering. Billijke vergoeding.

Werknemer is op 1 juni 2015 in dienst getreden bij werkgever. Op 27 juli 2015 is werknemer weggegaan van het werk. Hij heeft nadien niet meer voor werkgever gewerkt. Werkgever heeft werknemer op dezelfde dag op staande voet ontslagen, waarbij als ontslaggrond is vermeld de weigering een opdracht uit te voeren, met schade voor de tijdsplanning tot gevolg, en het doen van uitspraken tijdens het werk die voor een slechte sfeer hebben gezorgd. Werknemer vordert vernietiging van het ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft het verzoek van werknemer afgewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Eerst wordt de ontslaggrond besproken die betrekking heeft op de beweerde uitlatingen van werknemer tijdens het werk. Werkgever heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat sprake is geweest van uitlatingen van werknemer die een dringende reden voor ontslag op staande voet zouden kunnen opleveren. Noch in het verweerschrift in eerste aanleg noch in het verweerschrift in hoger beroep is deze ontslaggrond feitelijk onderbouwd. Ter zitting bij het hof heeft werkgever ten aanzien van deze ontslaggrond niet meer gesteld dan dat werknemer ‘altijd tegen is’, een problematische werknemer is en zijn eigen werktijden bepaalde. Daarmee heeft werkgever het bestaan, de inhoud en de omvang van deze gedragingen (en ontslaggrond) onvoldoende concreet onderbouwd. Vervolgens wordt bezien of de gestelde werkweigering wel een dringende reden voor ontslag op staande voet kan zijn. Nu werkgever in de ontslagbrief noch in de onderhavige procedure heeft gesteld en evenmin aannemelijk is geworden dat werkgever werknemer ook uitsluitend vanwege de gestelde werkweigering op staande voet zou hebben ontslagen, kan het ontslag op staande voet geen stand houden. Ten overvloede wordt het volgende overwogen. Partijen hebben beiden een verschillende lezing gegeven van wat op 27 juli 2015 is voorgevallen. Ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van de lezing van werkgever, is van een rechtsgeldige ontslaggrond geen sprake. Werkgever heeft ter zitting erkend dat werknemer het onderwerp van achterstallig loon bij hem ter sprake heeft gebracht op de bewuste dag. Tegen de achtergrond hiervan en het feit dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat destijds inderdaad sprake was van achterstallig loon, kan de handelwijze van werknemer niet los worden gezien van deze kwestie. In deze specifieke omstandigheden, waarin werknemer geagiteerd was vanwege de afhoudende reactie van werkgever op het verzoek om betaling van achterstallig loon en het verkrijgen van een vrije dag, had het op de weg van werkgever gelegen om, alvorens werknemer op staande voet te ontslaan, hem eerst op een voldoende duidelijke wijze te waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van een werkweigering. Nu het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW. Het hof veroordeelt de werkgever niet om de arbeidsovereenkomst te herstellen. Er was immers sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 3 december 2015 en werknemer heeft niet gesteld welk belang hij heeft bij herstel van de arbeidsovereenkomst. Nu herstel van de dienstbetrekking niet aan de orde is, wordt werkgever veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding. Deze vergoeding wordt bepaald op een bedrag ter hoogte van het loon over de periode 27 juli 2015 (datum ontslag) tot 3 december 2015 (datum einde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd), vermeerderd met 10%. Volgt toewijzing van de vorderingen van werknemer.