Naar boven ↑

Rechtspraak

Vereniging Focwa Schadeherstel/werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 28 juni 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:1762

Vereniging Focwa Schadeherstel/werknemer

Vernietiging veroordeling wedertewerkstelling nu voldoende vaststaat dat werkgever belang heeft bij non-actiefstelling vanwege vrees voor frustratie onderzoek door werknemer.

Werknemer is op 1 januari 1999 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Focwa Schadeherstel, aanvankelijk als adjunct-secretaris en later als secretaris. In die hoedanigheid gaf hij leiding aan het secretariaat, waar in 2015 17 personen werkzaam waren. Als secretaris was werknemer volledig bevoegd de vereniging te vertegenwoordigen. Het bruto maandsalaris van werknemer bedroeg laatstelijk € 11.831 exclusief 8% vakantiebijslag. Op 24 december 2014 is werknemer op non-actief gesteld met behoud van loon en auto. Aanleiding hiertoe waren hoge uitgaven aan juridische bijstand en het niet adequaat uitvoeren van de nieuwe organisatie. Werknemer heeft wedertewerkstelling gevorderd. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen. Focwa laat werknemer evenwel niet toe tot de werkzaamheden en keert zich tegen dit oordeel in hoger beroep. Op 15 april 2015 heeft Focwa Schadeherstel werknemer op staande voet ontslagen.

Het hof oordeelt als volgt. Naar het voorlopig oordeel van het hof vormen de genoemde omstandigheden – zeker in combinatie gezien – voldoende grond voor het oordeel dat de vrees dat werknemer het onderzoek naar zijn functioneren van het secretariaat in het algemeen en zijn eigen functioneren in het bijzonder zou frustreren, gerechtvaardigd was. Nadat een extern onderzoeksbureau op 3 februari 2015 rapport had uitgebracht, heeft Focwa Schadeherstel besloten de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen, en heeft daartoe een vergunning aangevraagd. Gelet daarop lag niet in de rede werknemer opnieuw toe te laten tot het werk, dit geldt temeer nu het onderzoek van Integis naar het financiële handelen van werknemer nog niet was afgerond. Van een situatie vergelijkbaar met de situatie die ten grondslag lag aan ECLI:NL:GHSGR:2012:BV0438 (waarin nog geen keuze was gemaakt tussen rehabilitatie of ontslag) is dan ook geen sprake. Daaraan kan niet afdoen dat de dienstbetrekking uiteindelijk niet is geëindigd door opzegging, nu vaststaat dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval per 15 april 2015 is geëindigd. Werknemer heeft immers in dat ontslag berust. De vraag of de aan dit ontslag op staande voet ten grondslag gelegde omstandigheden dat ontslag rechtvaardigden, ligt in de onderhavige procedure niet voor.