Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werkneemster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juni 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:4708

werkgever/werkneemster

Uitleg concurrentiebeding. De op het concurrentiebeding gebaseerde verbodsvorderingen zijn ruimer dan het concurrentiebeding.

Werkneemster is werkzaam als fysiotherapeut bij Medisch Centrum Zuid (hierna: MCZ). De arbeidsovereenkomst van werkneemster bevat een concurrentiebeding. Partijen hebben een schikking getroffen, inhoudende dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2016 wordt beëindigd. De getroffen schikking houdt daarnaast in dat MCZ aan werkneemster een transitievergoeding betaalt. MCZ heeft de transitievergoeding niet voldaan. Zij beroept zich daarvoor op verrekening met een vordering van haar op werkneemster vanwege overtreding van het concurrentieverbod. Werkneemster heeft op 12 november 2015 een eigen praktijk voor fysiotherapie opgericht. MCZ vordert een veroordeling van werkneemster tot onverkorte nakoming van het tussen partijen geldende concurrentiebeding. Werkneemster vordert in reconventie onder meer (1) schorsing van het concurrentiebeding en (2) veroordeling van MCZ tot betaling van de transitievergoeding. De kantonrechter heeft de vorderingen van MCZ afgewezen en de tweede vordering van werkneemster toegewezen. Tegen dit vonnis komt MCZ in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Het concurrentiebeding behelst in de kern dat het werkneemster gedurende twee jaar na het einde van het dienstverband met MCZ niet is toegestaan om zodanig concurrerend werkzaam te zijn dat MCZ daarvan substantiële schade ondervindt. Om dat te waarborgen verbiedt het concurrentiebeding werkneemster om zich als fysiotherapeut te vestigen in het voornaamste verzorgingsgebied van MCZ of aldaar elders in dienst te treden en mogen de verzorgingsgebieden van MCZ en werkneemster ook geen substantiële overlapping hebben. Waar de bescherming van het bedrijfsdebiet blijkens de bewoordingen van het concurrentiebeding is gericht op de patiënten die wonen en werken in het verzorgingsgebied van MCZ, dient het concurrentiebeding zo uitgelegd te worden dat het werkneemster is verboden om mensen die in dat gebied wonen en werken actief als (potentiële) patiënt te benaderen en te behandelen. Gelet op de vrijheid van een patiënt om zijn eigen behandelaar te kiezen omvat het verbod echter niet een verbod aan werkneemster om patiënten uit dat gebied te behandelen die zich eigener beweging voor behandeling tot haar hebben gewend. Het verbod omvat evenmin een verbod op contacten met relaties (andere dan patiënten) van MCZ die binnen het verzorgingsgebied van MCZ zijn gevestigd. In het concurrentiebeding valt, anders dan MCZ meent, geen relatiebeding te lezen. Weliswaar heeft werkneemster zich (net) buiten het omschreven verzorgingsgebied van MCZ gevestigd, maar uit de omschrijving van haar verzorgingsgebied op haar website blijkt dat haar (beoogde) activiteiten zich mede uitstrekken over het (omschreven) verzorgingsgebied van MCZ. Daarmee is sprake van een substantiële overlapping van de verzorgingsgebieden en handelt werkneemster (potentieel) in strijd met het concurrentiebeding, zoals zij dat redelijkerwijs had behoren op te vatten. De verbodsvorderingen die MCZ aan die naleving heeft verbonden gaan echter verder dan het concurrentiebeding. De verbodsvorderingen strekken er immers toe dat werkneemster in het geheel geen werkzaamheden zal mogen verrichten in het verzorgingsgebied van MCZ en dat zij met geen enkele relatie en/of patiënt van MCZ contact zal mogen hebben. Dergelijke verboden zijn voor werkneemster beperkender dan uit het concurrentiebeding voortvloeit. Die verboden zijn daarmee niet toewijsbaar. Volstaan wordt met de veroordeling van werkneemster tot onverkorte naleving van het concurrentiebeding zoals dat beding in dit arrest is uitgelegd. Er is geen grond voor versterking van deze veroordeling met een dwangsom, nu op overtreding van het concurrentiebeding ook al een contractuele boete is gesteld en niet is aangevoerd dat die boete niet toereikend is als prikkel tot nakoming. Het verrekeningsverweer van MCZ wordt gepasseerd. De gegrondheid van dat beroep valt vooralsnog niet op eenvoudige wijze vast te stellen als bedoeld in artikel 6:136 BW. Weliswaar wordt geoordeeld dat MCZ wel belang heeft bij een veroordeling van werkneemster tot naleving van het concurrentiebeding, maar vooralsnog is niet op eenduidige wijze vast te stellen dat en in hoeverre werkneemster het concurrentiebeding daadwerkelijk heeft overtreden, laat staan welk bedrag zij uit dien hoofde aan MCZ verschuldigd zou zijn. De vordering van werkneemster om het concurrentiebeding te schorsen is tot slot niet toewijsbaar. Het concurrentiebeding is voldoende bepaalbaar om onverkorte naleving daarvan te kunnen verlangen.