Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 13 juli 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:5297
X/Erasmus Universiteit Rotterdam
X is per 1 oktober 2011 als accountant in dienst getreden van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: EUR) voor de duur van twee jaar. X stelt dat hij op 10 september 2013 op weg naar de parkeergarage op het terrein van de EUR is gevallen over de losliggende kabel van een kabelhaspel. Dit heeft volgens hem geleid tot rugklachten, polsklachten en psychische klachten. De EUR is volgens X aansprakelijk – voor zover de aansprakelijkheid niet reeds in de brief van 4 december 2013 is erkend – op grond van artikel 7:658 BW, artikel 6:174 BW, artikel 6:173 BW dan wel artikel 6:162 BW.
De rechtbank oordeelt als volgt. Door X is in de eerste plaats gesteld dat hij in de brief van 4 december 2013 van Y een erkenning van de aansprakelijkheid door EUR voor de gevolgen van het ongeval mocht lezen. De rechtbank volgt X niet in dit standpunt. In deze brief wordt immers vermeld dat het Facilitair Bedrijf de locatie van de door werknemer genoemde kabelhaspel niet heeft kunnen verifiëren en stelt Y dat er op dit punt sprake is van een patstelling. X heeft primair aansprakelijkheid van de EUR als werkgever op grond van artikel 7:658 BW aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De EUR heeft hier tegenin gebracht dat X geen beroep kan doen op deze arbeidsrechtelijke bepaling, nu hij werkzaam was op basis van een ambtelijke aanstelling. De rechtbank overweegt dat in artikel 7:615 BW is bepaald dat titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (waar art. 7:658 BW deel van uitmaakt) niet van toepassing is op personen in overheidsdienst. Daarbij is niet relevant dat de rechtsverhouding tussen de EUR en X materieel voldeed aan de omschrijving van artikel 7:610 lid 1 BW. De EUR is een openbare universiteit, zodat X valt onder de in artikel 7:615 BW genoemde groep personen. Het beroep op artikel 7:658 BW faalt.
Van de zijde van X is aangevoerd dat het al dan niet toepasselijk zijn van artikel 7:658 BW voor de onderhavige zaak niet van groot belang is, omdat de Centrale Raad van Beroep een daarmee vergelijkbare toets hanteert voor ambtenaren (zie ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072). X gaat er hierbij echter aan voorbij dat deze toets plaatsvindt in de bestuursrechtelijke rechtsgang (in het kader van de beoordeling van een besluit na een aan het bevoegd gezag gedaan verzoek tot schadevergoeding), waardoor deze norm niet in de beoordeling van een civielrechtelijke aansprakelijkstelling wordt betrokken. Het beroep op aansprakelijkheid van de EUR als werkgever wordt dan ook afgewezen. Ook het beroep op artikel 6:174 BW, 6:173 BW, 6:162 BW en 6:171 BW faalt. Daartoe wordt onder meer het volgende overwogen. De EUR kan niet als kabelbeheerder in de zin van artikel 6:174 lid 2 BW aangemerkt worden. Het beroep op risicoaansprakelijkheid voor roerende zaken is onvoldoende onderbouwd. Uit het dossier volgt dat de kabelhaspel in het bezit was van een externe uitvoerder. De kabelhaspel is dus niet door de EUR zelf op het terrein geplaatst. Niet gesteld of gebleken is dat de plaatsing van de kabelhaspel desondanks aan de schuld van de EUR is te wijten, dan wel krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening dient te komen. De gevaarzetting kan daardoor niet aan de EUR worden toegerekend (art. 6:162 lid 3 BW). Volgt afwijzing van de vorderingen van X.