Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 8 maart 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:1821
Aiptek International GmbH/agent
In de onderhavige zaak is na uitvoerig getuigenverhoor komen vast te staan dat (a) sprake is van een agentuurovereenkomst en (b) dat deze door Aiptek is beëindigd. Vervolgens staat de vraag centraal of de agent recht heeft op een vergoeding ex artikel 7:442 BW. Op grond van artikel 7:442 lid 1a BW heeft de handelsagent bij het einde van de agentuurovereenkomst recht op een vergoeding voor zover hij bij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en de principaal nog aanzienlijke voordelen oplevert en de betaling van deze vergoeding billijk is (art. 7:442 lid 1b BW), gelet op alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder op de verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten. De vaststelling van de klantenvergoeding verloopt in drie fasen. In de eerste fase dienen de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren, gekwantificeerd te worden (art. 7:442 lid 1 onderdeel a BW). Vervolgens moet in de tweede fase beoordeeld worden of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, en met name gelet op de door de handelsagent gederfde provisie; de billijkheid kan zowel een verhoging als een verlaging van het in de eerste fase vastgestelde bedrag meebrengen (art. 7:442 lid 1 onderdeel b BW). Ten slotte wordt in de derde fase getoetst of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van artikel 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat (zie HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9865). Zoals overwogen, moeten eerst de voordelen worden gekwantificeerd die transacties met de door de handelsagent (agent) aangebrachte klanten voor de principaal (Aiptek) opleveren. Het gaat hier om de voordelen die zijn gelegen in de mogelijkheid voor de principaal (Aiptek) om de aangebrachte klantenrelaties na beëindiging van de agentuurovereenkomst te kunnen blijven gebruiken zonder daarover provisie verschuldigd te zijn. Aiptek stelt echter dat zij in het geheel geen voordeel van de aangebrachte klanten heeft ondervonden en dus geen goodwillvergoeding hoeft te betalen, maar laat (ook in hoger beroep) na concreet aan te geven welke inspanningen zij heeft verricht om de door agent aangebrachte klanten aan zich te blijven binden, anders dan zij in algemene zin (productontwikkeling, markt van particulieren) heeft gedaan. In het licht van haar stelling dat agent wegens het wegvallen van de door hem aangebrachte klanten geen recht heeft op een klantenvergoeding en gelet op hetgeen agent hiertegen heeft ingebracht, lag het op de weg van Aiptek om op dat punt met concrete gegevens te onderbouwen wat zij heeft gedaan om die klanten te behouden.
Het hof is derhalve van oordeel dat er weliswaar van uit moet worden gegaan dat Aiptek geen voordelen van de door agent aangebrachte klanten heeft genoten, maar dat het anderzijds niet de bedoeling van artikel 7:442 lid 1 BW is, welk artikel ertoe strekt de handelsagent tegenover de principaal te beschermen zodat deze bepaling overeenkomstig deze strekking moet worden uitgelegd (zie HvJ EG 26 maart 2009, ECLI:EU:C:2009:195 (Turgay Semen) en HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9865 (T-Mobile/Klomp)) agent onder deze omstandigheden in het geheel geen vergoeding te geven. Dat betekent dat het hof zo veel mogelijk bij artikel 7:442 BW leden 1 en 2 zal aansluiten. Een uniforme toepassing van artikel 7:442 lid 1 onderdeel a BW brengt, aldus de Hoge Raad, mee dat het voordeel van de principaal (Aiptek) wordt vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende bruto provisie betreffende de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens wordt gecorrigeerd met factoren betreffende (a) de duur van het voordeel dat de principaal naar verwachting aan de transacties met genoemde klanten kan ontlenen, (b) het verloop van het klantenbestand, en (c) de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die in één keer een vergoeding krijgt uitgekeerd. Ook van belang is in hoeverre de handelsagent in staat zou zijn geweest nieuwe overeenkomsten af te sluiten bij klanten van de principaal die door een andere agent waren aangebracht. Volgens agent (en Aiptek) bedroeg de provisie over de laatste 12 maanden € 7.500. Het hof acht de als uitgangspunt geldende klantenvergoeding van € 7.500, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet billijk. Enerzijds geldt (als onweersproken) weliswaar dat agent niet gebonden was aan een concurrentiebeding en de door hem aangebrachte klanten kon blijven gebruiken, maar anderzijds zijn er volgens het hof redenen om af te wijken van het uitgangspunt om te relateren aan de vergoeding voor de laatste 12 maanden omdat deze vergoeding van € 7.500 significant afwijkt van die over de jaren 2007 (€ 93.100), 2008 (€ 86.357) en 2009 (€ 24.426). Het hof stelt dan ook een billijke vergoeding vast op € 25.000, hetgeen conform artikel 7:442 lid 2 BW het maximumbedrag van € 52.845,75 (standpunt agent) dan wel € 36.611,40 (standpunt Aiptek) niet overstijgt.