Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 13 juli 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:7860
X/Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Op 1 januari 2013 zijn de schepen van X aangemeerd bij een scheepswerf in de haven van Rotterdam. De schepen hebben in verband met financiële problemen tot en met mei 2014 in de haven gelegen. In die periode is er niet met de schepen gevaren. Twaalf werknemers uit de Filipijnen, Polen en Oekraïne hebben in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 werkzaamheden verricht op de schepen. Aan X is een boete opgelegd van € 96.750 wegens twaalf overtredingen van artikel 7, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard. X heeft vervolgens beroep ingesteld.
De rechtbank oordeelt onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij artikel 4 Wml (Kamerstukken II 1967/68, 9574, nr. 3, p. 17) dat, aangezien X niet in Nederland is gevestigd en de schepen geen Nederlandse thuishaven hebben, de Wml alleen van toepassing is als moet worden geoordeeld dat de dienstbetrekking in Nederland wordt vervuld. De rechtbank stelt vast dat de werknemers van X zijn ingezet aan boord van zeeschepen die varen onder Cypriotische vlag. Zij hebben loon ontvangen in overeenstemming met de internationale cao’s die X heeft afgesloten met een vakbond voor zeevarend personeel. Het loon is uitbetaald in Amerikaanse dollars. De zeeschepen waarop de werknemers werkzaam waren, bevonden zich tijdelijk in Nederland, in afwachting van een volgende (internationale) reis. Door omstandigheden waar X geen invloed op had, hebben de schepen langer dan een paar dagen in de haven gelegen. De werknemers zijn aan boord gebleven om de schepen vaarklaar te houden en hebben de schepen niet verlaten. Hun werkgever voorzag in hun levensonderhoud en zij genoten hun verlof buiten Nederland. Niet in geschil is dat de werknemers enkel werkzaamheden verrichtten gericht op het vaarklaar houden van de schepen en dat geen sprake was van een schijnconstructie. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de werknemers van X onder deze specifieke omstandigheden worden geacht hun dienstverband niet in Nederland te hebben vervuld. Afgezien van de feitelijke aanwezigheid in de Nederlandse wateren zijn er geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer.
Daarbij komt dat de werknemers, nu zij de schepen niet hebben verlaten en hun werkgever in hun levensonderhoud heeft voorzien, niet te maken hebben gekregen met de Nederlandse welvaartssfeer. De Wml heeft als doelstelling alle in het beroeps- en bedrijfsleven werkzaam zijnde werknemers een minimumloon en minimumvakantiebijslag te verzekeren, welke gezien de algehele welvaartssituatie als een aanvaardbare tegenprestatie voor de in de dienstbetrekking verrichte arbeid kunnen worden beschouwd (zie Kamerstukken II 1967/68, 9574, nr. 3, p. 14). Hierbij wordt uitgegaan van de Nederlandse welvaartssituatie. Door aan de werknemers een loon te betalen dat lager is dan het Nederlands minimumloon, maar dat wel in overeenstemming is met internationale cao’s, wordt naar het oordeel van de rechtbank de doelstelling van de wet niet doorkruist. Niet valt in te zien dat de wetgever heeft beoogd de Wml ook op deze situatie van toepassing te laten zijn. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot implementatie van het Maritiem Arbeidsverdrag, waarin staat 'De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is op de arbeidsovereenkomsten in de maritieme sector niet van toepassing' (Kamerstukken II 2010/11, 32 534, nr. 3) en de door X overgelegde brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juni 1989. In deze brief wordt verwezen naar een advies waarin is vermeld dat de Wml toepassing mist ten aanzien van een bemanningslid dat geen woonplaats in Nederland heeft en evenmin woont aan boord van een schip dat in het Rijk zijn thuishaven heeft. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel daartoe tot 28 december 2012 op grond van artikel 4, vierde lid, van de Wml de mogelijkheid bestond, nooit bij algemene maatregel van bestuur een beperking op de toepasselijkheid van de Wml tot stand is gebracht en dat ook in de Wml zelf nooit een dergelijke beperking is opgenomen. De rechtbank acht het aannemelijk dat nooit aanleiding is gezien een expliciete uitzondering te maken voor zeevarenden, omdat ervan werd uitgegaan dat de Wml niet van toepassing is op werknemers die geen woonplaats in Nederland hebben en niet op een schip werkzaam zijn dat in Nederland zijn thuishaven heeft. Het beroep wordt gegrond verklaard en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.