Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Rijnlands Lyceum
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 21 juni 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:1693

werknemer/Stichting Rijnlands Lyceum

Onterecht ontslag op staande voet controller bij onderwijsstichting leidt tot schadevergoeding € 250.000

Werknemer is van augustus 2006 tot en met 29 juni 2010 werkzaam geweest voor SRL. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs (verder: de CAO) van toepassing. Het salaris van werknemer bedroeg laatstelijk € 5.913, vermeerderd met een arbeidsmarkttoeslag van € 1.003 per maand, exclusief 8 procent vakantietoeslag. Werknemer is ontslagen wegens een dringende reden ( dan wel subsidiair op 'andere gronden' in de zin van de CAO VO), omdat hij in zijn functie als controller wezenlijke btw-afdrachten niet zou hebben gedaan, dan wel aanmerkelijke bedragen niet zou hebben teruggevorderd. Hierdoor heeft SRL veel schade geleden. Volgens werknemer is sprake van een kennelijk onredelijk ontslag (BBA is niet op hem van toepassing).

Het hof oordeelt als volgt. Alle verwijten aan het adres van werknemer slagen niet. Dat de Latiss-constructie (een niet onomstreden constructie waarbij SLR btw kon terugvorderen van de fiscus) is mislukt, kan werknemer niet worden aangerekend. De opzegging is derhalve kennelijk onredelijk. Het hof acht aannemelijk dat een ontslag op staande voet binnen SRL en mogelijk ook in de onderwijswereld is gaat 'rondzoemen'. Reden om zonder meer aan te nemen dat te verwachten was dat [appellant] als gevolg van het ontslag tot zijn pensioen werkloos zal blijven was (en is) er volgens het hof niet (volgens de tool 'Mag ontslag' van de Universiteit van Amsterdam is die kans 5 procent). Anderzijds was ten tijde van het ontslag wel te voorzien dat werknemer geruime tijd (volgens de tool 'Mag ontslag', gemiddeld 956 dagen) werkloos zou blijven en waarschijnlijk zelfs aanzienlijk langer dan gemiddeld, omdat het hem onterecht gemaakte verwijt dat hij zijn werkgever ernstig heeft benadeeld, alsmede het bestuur door zijn handelen heeft blootgesteld aan het risico van strafrechtelijke vervolging, het vinden van werk zou bemoeilijken. Het hof stelt de termijn schattenderwijs op vijf jaar. Het hof neemt voorts in aanmerking dat werknemer aan wettelijke en bovenwettelijke WW-uitkering een bedrag van € 220.000 heeft genoten, en dat onmiskenbaar sprake is van pensioenschade. Een en ander in aanmerking genomen acht het hof een vergoeding van € 250.000 passend. De gevraagde subsidiaire verklaring voor recht zal derhalve worden toegewezen en SRL zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 250.000, bruto vermeerderd met rente daarover vanaf datum dagvaarding.