Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 26 april 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:6785
werkneemster/Publiq Services B.V.
Werkneemster is van 2013 tot 2015 in dienst geweest bij Publiq Services. Werkneemster vordert betaling van de transitievergoeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft haar verzoekschrift aanvankelijk tegen Publiq B.V. gericht, terwijl niet Publiq B.V. maar Publiq Services B.V. de werkgever is geweest. Bij de mondelinge behandeling heeft werkneemster medegedeeld dat de tenaamstelling in het verzoekschrift berustte op een vergissing en dat zij haar verzoek wijzigt in die zin dat in plaats van Publiq B.V. Publiq Services B.V. moet worden gelezen. Naar het oordeel van de kantonrechter verzet in het onderhavige geval niets zich ertegen dat de fout in het verzoekschrift wordt hersteld. In een geval als het onderhavige waarbij de herstelde fout een wijziging van partij waartegen het verzoekschrift is gericht betreft, dient de 'nieuwe' verwerende partij van de wijziging op de hoogte te worden gesteld en in de gelegenheid te worden gesteld op het gewijzigde verzoekschrift te reageren. Aan die voorwaarde is in dit geval voldaan. De kantonrechter stelt voorts vast dat Publiq Services door de verkeerde tenaamstelling in het oorspronkelijke verzoekschrift niet in haar mogelijkheden om verweer te voren is geschaad. Publiq Services B.V. is de dochter maatschappij van Publiq B.V. De bestuurder van Publiq Services B.V. was derhalve al sinds de indiening van het verzoekschrift op de hoogte van het verzoek van werkneemster. Gelet op het feit dat, zoals namens Publiq B.V. en Publiq Services naar voren is gebracht, alle werknemers bij Publiq Services B.V. zijn ondergebracht en Publiq B.V. geen werknemers in dienst heeft, kan er bij Publiq B.V. en Publiq Services B.V. geen onduidelijkheid hebben bestaan over de vraag tegen welke partij de inhoud van het verzoekschrift zich daadwerkelijk richtte. Werkneemster is ontvankelijk in haar gewijzigde verzoek.
De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat werkneemster in beginsel aanspraak kan maken op een transitievergoeding. Publiq Services beroept zich erop dat de door haar ten behoeve van werkneemster gemaakte kosten voor de opleiding MPIM kwalificeren als kosten in de zin van artikel 4 van het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding (hierna: het Besluit), zodat zij deze kosten op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid 6 BW op de uit te keren transitievergoeding in mindering heeft gebracht. De kantonrechter is evenwel met werkneemster van oordeel dat niet aan de voorwaarden in artikel 4 van het Besluit is voldaan. Het Besluit vereist immers dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan om de werknemer in de gelegenheid te stellen die opleiding te volgen en na afronding van die opleiding, of na tussentijdse beëindiging daarvan, niet, of met een tussenpoos van meer dan zes maanden, wordt voortgezet. Na het beëindigen van de opleiding van werkneemster is de arbeidsovereenkomst nog zes maanden voortgezet. Dat het bij aanvang van het dienstverband tussen partijen niet de intentie was om de arbeidsovereenkomst na afronding of beëindiging van de opleiding te laten voortduren doet daaraan niet af. Overigens kwalificeert de MPIM-opleiding evenmin als een opleiding in de zin van artikel 4 lid 2 van het Besluit, zodat ook daarom geen recht bestaat om de kosten van de opleiding op de transitievergoeding in mindering te brengen. Public Services wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding van € 2.520 bruto.