Naar boven ↑

Rechtspraak

Kratzer/R+V Allgemeine Versicherung AG
Hof van Justitie van de Europese Unie, 28 juli 2016
ECLI:EU:C:2016:604

Kratzer/R+V Allgemeine Versicherung AG

Een persoon die solliciteert met als enige doel een schadevergoeding te vorderen, valt wegens rechtsmisbruik niet onder het begrip 'toegang tot arbeid in loondienst en tot een beroep'.

In maart 2009 heeft R+V een vacature voor stageplaatsen voor afgestudeerden uit de richtingen economische wetenschappen, economische wiskunde, economische informatica en rechtsgeleerdheid uitgeschreven. Kratzer solliciteerde naar een stageplaats op het gebied van rechtsgeleerdheid en benadrukte daarbij dat hij niet alleen voldeed aan alle criteria van de vacature, maar dat hij als advocaat en voormalig leidinggevende bij een verzekeringsmaatschappij beschikte over leidinggevende ervaring en eraan gewend was verantwoordelijkheid op zich te nemen en zelfstandig te werken. Hij heeft tevens aangegeven dat hij een cursus tot gespecialiseerd advocaat arbeidsrecht volgde en dat hij zich, vanwege de dood van zijn vader, bezighield met een omvangrijk dossier inzake medisch recht en dus over ruime ervaring op dat gebied beschikte. Nadat Kratzer was afgewezen heeft hij bij de arbeidsrechter Wiesbaden, Duitsland een schadevordering ten bedrage van 14.000 euro wegens discriminatie op grond van leeftijd ingediend. Nadat hij vervolgens had vernomen dat R+V de vier betrokken stageplaatsen uitsluitend aan vrouwen had toegekend, terwijl de meer dan zestig ingediende sollicitaties vrijwel gelijk waren verdeeld over mannen en vrouwen, vorderde Kratzer een extra schadevergoeding ten bedrage van 3.500 euro wegens discriminatie op grond van geslacht. Na afwijzing in eerste aanleg en hoger beroep stelt de verwijzende rechter in een Revisionprocedure de volgende vraag aan het Hof: Moeten artikel 3, lid 1, onder a), van Richtlijn 2000/78/EG en artikel 14, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/54/EG aldus worden uitgelegd dat ook degene uit wiens sollicitatie blijkt dat geen aanstelling en dienstbetrekking, maar alleen – teneinde schadevergoeding te kunnen vorderen – de status van sollicitant moet worden bereikt, 'toegang tot arbeid in loondienst of tot een beroep' zoekt?

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, onder a), van Richtlijn 2000/78/EG en artikel 14, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/54/EG aldus moeten worden uitgelegd dat een situatie waarin een persoon die door te solliciteren naar een plaats niet beoogt deze plaats te krijgen, maar alleen de formele status van sollicitant, met als enige doel een schadevergoeding te vorderen, valt onder het begrip 'toegang tot arbeid in loondienst en tot een beroep' in de zin van deze bepalingen en of, op grond van het Unierecht, een dergelijke situatie als rechtsmisbruik kan worden aangemerkt. Een feitelijke situatie met kenmerken als beschreven in die beslissing valt in beginsel niet binnen de werkingssfeer van de Richtlijnen 2000/78/EG en 2006/54/EG. Doel van Richtlijn 2006/54/EG is overeenkomstig artikel 1, eerste alinea, het verzekeren van de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep. In het bijzonder blijkt uit artikel 3, lid 1, onder a), van Richtlijn 2000/78/EG, alsook uit artikel 1, tweede alinea, onder a), en uit artikel 14, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/54/EG dat deze richtlijnen van toepassing zijn op iemand die naar een plaats solliciteert, met inbegrip van de selectie‑ en aanstellingscriteria voor deze plaats (zie arrest van 19 april 2012, Meister, C‑415/10, EU:C:2012:217, punt 33). Een persoon die solliciteert naar een plaats in omstandigheden als beschreven in punt 29 van dit arrest wil echter kennelijk niet de plaats krijgen waarnaar hij formeel solliciteert. Hij kan zich bijgevolg niet beroepen op de door de Richtlijnen 2000/78/EG en 2006/54/EG geboden bescherming. Een andere uitlegging zou onverenigbaar zijn met het door deze richtlijnen nagestreefde doel dat erin bestaat voor eenieder gelijke behandeling te waarborgen 'in arbeid en beroep', door de betrokkenen een doeltreffende bescherming te bieden tegen bepaalde vormen van discriminatie, onder meer inzake 'toegang tot het arbeidsproces'. Voorts kan een dergelijke persoon in deze omstandigheden niet worden beschouwd als 'slachtoffer' in de zin van artikel 17 van Richtlijn 2000/78/EG en artikel 25 van Richtlijn 2006/54/EG, of als 'persoon' die 'schade' heeft geleden in de zin van artikel 18 van Richtlijn 2006/54/EG. Bovendien kunnen volgens vaste rechtspraak van het Hof de justitiabelen in geval van bedrog of misbruik geen beroep op het Unierecht doen (zie arrest van 13 maart 2014, SICES e.a., C‑155/13, EU:C:2014:145, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat aan de verwijzende rechter om, conform de bewijsregels van het nationale recht en voor zover de doeltreffendheid van het Unierecht niet wordt aangetast, na te gaan of in het hoofdgeding sprake is van de wezenskenmerken van misbruik (zie arresten van 14 december 2000, Emsland-Stärke, C‑110/99, EU:C:2000:695, punt 54; van 21 juli 2005, Eichsfelder Schlachtbetrieb, C‑515/03, EU:C:2005:491, punt 40; van 21 februari 2006, Halifax e.a., C‑255/02, EU:C:2006:121, punt 76, en van 13 maart 2014, SICES e.a., C‑155/13, EU:C:2014:145, punt 34). Indien objectief blijkt, ten eerste, dat in weerwil van de formele naleving van de door de Richtlijnen 2000/78/EG en 2006/54/EG opgelegde voorwaarden, het door deze richtlijnen beoogde doel niet is bereikt, en, ten tweede, dat Kratzer kunstmatig heeft gesolliciteerd naar een plaats, met als wezenlijk doel niet deze plaats daadwerkelijk te krijgen, maar zich te beroepen op de door deze richtlijnen geboden bescherming ter verkrijging van een ongerechtvaardigd voordeel, hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan, moet dan in dit opzicht worden geoordeeld dat Kratzer zich onrechtmatig op die bescherming beroept.