Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/PMU Dienstverlening B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 27 juli 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:6522

werknemer/PMU Dienstverlening B.V.

Inhouding bedrag op salaris vanwege de bijtelling van de auto van de zaak onterecht.

Werknemer was in dienst bij PMU als directeur/vestigingsmanager. Bij beschikking van 23 februari 2016 is de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 april 2016. In die beschikking is aan werknemer ook een transitievergoeding toegekend van € 10.000 bruto. Werknemer stelt dat PMU op de salarisbetaling over de maand maart ten onrechte een bedrag heeft ingehouden in verband met de fiscale bijtelling voor het gebruik van de auto die hem door PMU ter beschikking is gesteld, en dat bij de betaling van de transitievergoeding ten onrechte een bedrag is ingehouden vanwege te veel genoten vakantie-uren. Werknemer wijst erop dat PMU bekend is met de 'Verklaring geen privégebruik auto' die de Belastingdienst heeft afgegeven en dat bijtelling voor de auto van de zaak daarom onterecht is.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Er is geen reden om te oordelen dat sprake is van misbruik van recht, zoals door PMU is aangevoerd. Dat werknemer in een eerder kort geding tussen partijen dezelfde geschilpunten ook al aan de orde heeft gesteld, levert op zichzelf nog geen misbruik van procesrecht op. De inhouding door PMU van het bedrag van € 2.396,07 netto vanwege de bijtelling van de auto van de zaak, is onjuist. Vast staat dat werknemer aan PMU in 2012 een 'Verklaring geen privégebruik auto' van de Belastingdienst heeft verstrekt. Blijkens de door werknemer overgelegde verklaring van de Belastingdienst van 8 februari 2012 heeft die verklaring tot gevolg dat PMU geen bijtelling meer mag toepassen ten aanzien van het privégebruik van de auto van de zaak en geldt die verklaring voor onbepaalde tijd. Ook blijkt uit die verklaring dat het steeds aan de werknemer zelf is om zo nodig overtuigend aan de Belastingdienst bewijs te leveren dat met de auto van de zaak niet meer dan 500 privékilometers zijn gereden. Onder die omstandigheden kan PMU niet thans alsnog een bijtelling gaan toepassen over de jaren 2013, 2014 en 2015. Dat is temeer het geval nu PMU al die jaren de verklaring van de Belastingdienst heeft geaccepteerd en toegepast, en op de zitting ook heeft verklaard dat zij steeds heeft geaccepteerd dat werknemer geen rittenregistratie verstrekte. Anders dan PMU stelt, is zij niet verplicht om alsnog een bijtelling toe te passen als werknemer geen rittenregistratie kan overleggen. Dat blijkt niet alleen uit de hiervoor al genoemde verklaring van de Belastingdienst, maar ook uit de door PMU overgelegde e-mail van haar accountant. Verrekening door PMU van het bedrag van € 2.396,07 netto met het loon over de maand maart 2016 is niet toegestaan en in strijd met artikel 7:632 lid 1 BW. Overigens merkt de kantonrechter nog op dat de door PMU toegepaste verrekening ook niet geoorloofd was in het licht van artikel 7:632 lid 2 BW, omdat gelet op dat artikel inhouding op de reguliere loonbetaling alleen mogelijk is tot de beslagvrije voet. PMU wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.396,07 netto.